Tagarchief: taal

Qaantal

rob rondJe fiets is kwijt? Dat klopt niet.
„Is mijn fiets niet kwijt? Waar staat ie dan?”
Zeg: ik ben mijn fiets kwijt.
„Jij ook al?”
Nee sukkel, je bent je fiets kwijt en je fiets is zoek.
„Hoe kom je daar nou bij? Ik heb maar één fiets. En die is kwijt. De sleutel mist ook.”
Je bedoelt dat je je sleutel mist.
„Dat zeg ik toch. Toen de sleutel miste, rook ik al argwaan.”
Je ruikt lont of je krijgt argwaan.
„Als ie maar niet is weggejat, dacht ik meteen.”

Sorry taalpuristen, maar de fiets van de man is kwijt en de sleutel mist. Dat is goed Nederlands.
„O ja? En wie bepaalt dat?”
Ik.
„Waarom jij? Waarom ik niet?”
Jij ook.
„En als we van mening verschillen?”
Dan hebben we allebei gelijk. De taal is van iedereen.
„Wanneer is iets fout dan?”
Als het onbegrijpelijk is. Neem dit. Op signalen dat er wat misloopt, moet financieel in de breedte geacteerd worden. Het komt erop aan de versnelling van de verbeteraanpak goed in te vullen. Een tekort beheersbaar te maken aan de voorkant.
„Wat zeg je me daar allemaal?”
Ik niet. Staatssecretaris Mansveld in de bocht.
„Ik snap er geen hout van.”
Dan is het fout. Dat van die fiets en die sleutel snapte je wel.
„Maar dan is het einde toch zoek? Dan krijg je in boeken en kranten een ratjetoe van stijlen en spellingen door elkaar.”

Nee natuurlijk, want de uitgever is de baas over eigen boek of krant.
„Dus de uitgever bepaalt of ik ruggegraat of ruggengraat schrijf?”
In zijn boek of krant wel.
„Ook als ik ruggengraat fout vind?”
De uitgever is de baas, dus ja.
„Maar dan vinden mijn vrienden mij dom.”

Dat is inderdaad een functie van taal: rangen en standen herkennen. Wie normaliter dezelfde klemtoon geeft als sodemieter, kon niet goed leren. Of heeft slecht opgelet op school. Of heeft onderwijs genoten na de uitvinding van ‘het nieuwe leren’.

„Ben jij zo’n snob dan dat je mensen beoordeelt op hun taalgebruik?”
Ik kan niet anders. Dat gaat vanzelf.
„En jij maakt natuurlijk geen fouten.”
Jawel hoor. Ik zei tegen een vriend een keer emerítus in plaats van eméritus. Hij verbeterde mij gelukkig. Wel gênant. Zoiets vergeet ik nooit meer.

„Jij bent wel liberaal zeg, om je als pietje-precies niet te storen aan fietsen die kwijt zijn en sleutels die missen.”
Me er niet aan storen? Ik erger me de godganse dag bont en blauw.
„Groen en geel zul je bedoelen.”
Oeps.
„Waar erger je je dan aan?”
Ik heb zo mijn stokpaardjes. Neem aantal. Er heerst griep. Het aantal studenten die ziek zijn, neemt toe.
„Fout. Het aantal studenten dat ziek is.”
Welnee. Allebei goed, maar ‘het aantal studenten dat’ is onlogisch. Bijna heel Nederland kiest voor onlogisch en tsja, wat iedereen zegt, is automatisch correct. Het aantal namen dat met een q begint. Qaantal?

„Ruggengraat is fout. Aantal dat is goed. Je moet niet overdrijven.”
Merkwaardig fenomeen. Zowat iedereen vindt zichzelf de norm. Wie minder taaluitingen fout vindt dan jij, is dom. Wie meer fout vindt dan jij, is een pietlut.
„Is er dan geen norm?”
Ik.

_________________________________

Reageren kan hier.