Herinneringen

rob rondEeuwig kan kort zijn. Zaterdagavond speelden we met Kayak in Drachten, gisteren zes jaar geleden, en op zondagmiddag verscheen in mijn mailbox onderstaand bericht.

Hallo allen,
Vanochtend vroeg kreeg ik het verdrietige bericht dat mijn vader is overleden.
Hij is 82 jaar geworden.
Niet alleen was hij mijn vader, maar bovenal een vriend en – niet te vergeten – mijn leermeester. In die laatste hoedanigheid heeft hij me – vooral – liefde voor muziek bijgebracht.
Ik ben hem eeuwig dankbaar, en zal hem missen.
Pim

Het lot, de voorzienigheid of de natuur – doorhalen wat niet van toepassing is – gaf Pim Koopman geen volle dag meer om dankbaar te zijn. Zijn hart stopte op maandag de 23ste. Hij werd 56 jaar. Laten we hopen dat er geen opperwezen is dat het allemaal zo bedenkt.

Aan Pim denken veel mensen: zijn zoon, vriendin, zussen en vrienden uit de muziek. Karel van het Reve schrijft in De ondergang van het morgenland: ‘Wonderlijk is, dat na mijn dood ook mijn herinneringen verdwijnen. Bij ons thuis kwam in de jaren dertig een Komintern-agent, Karl genaamd, een Duitser. Het was een aardige man. Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?’

Herinneringen zijn eerbetoon. Het hoeven geen verheven herinneringen te zijn. Met Diesel speelden wij bij de Witte Paarden in Steenwijkerwold. „Hi steaks!”, zei een van de bandleden tegen koeien die nieuwsgierig onze kant uit kwamen. „Eigen schuld”, zei Pim, „hadden ze maar geen koe moeten worden.” Alsjeblieft, een stukje Pim.

Veel mensen denken aan Karel, die zelf al zestien jaar niet meer aan Karl kan denken. Ik liep college bij hem in Leiden, waar ik Russisch studeerde. Op een dag zat ik in mijn ouwe blauwe Renault 5 vast in het verkeer op het Rapenburg – in mijn herinnering zat ik in Leiden altijd vast in het verkeer – en hing uit het raam omdat het zo heet was. Daar kwam Karel aanlopen over de brug op weg naar Barrera. Die gaat hier wat van zeggen, dacht ik.

„Absurd dat studenten nu ook al in een auto rijden”, zei Karel.

„Ja, het gaat slecht met Nederland”, flapte ik eruit. De kranten stonden ook toen vol met crisisnieuws. Een schaterlach van Karel toen hij het café inliep.

In datzelfde café zaten we op een middag aan de rode wijn toen het gesprek op de literatuurwetenschap kwam. Karel had in zijn Huizingalezing over Het raadsel der onleesbaarheid literatuurwetenschappers op de korrel genomen. Hoe kan het, vroeg hij zich voor een volle zaal af, dat mensen die literatuur beoordelen zelf geen regel fatsoenlijk op papier krijgen?

„Wat heeft het voor zin”, redeneerde de man die zelf een gouden pen had, „om op te sommen wat de eigenschappen van een goede roman zijn als je diezelfde eigenschappen ook bij een slechte roman aantreft?”

Wat men literatuurwetenschap noemt, is dat niet, vond Karel, maar daarmee wilde hij nog niet zeggen dat die wetenschap niet kon bestaan.

„Zo ver durf ik wel te gaan”, zei ik tegen hem. „Literatuurwetenschap kan niet bestaan.”

„O ja?” Een vals lachje. „Vertel eens, heb jij veel over dat onderwerp gelezen?”

„Helemaal niets”, antwoordde ik.

„Ik heb er tenminste nog een halve bladzijde over gelezen”, zei Karel. „Als jij er niets over gelezen hebt, hoe kun je dan concluderen dat die wetenschap niet kan bestaan?”

„Knap hè?”

Weer die schaterlach. Alsjeblieft, een stukje Karel.

Meester Geebeejee heb ik niet echt gekend, maar wel meegemaakt. Midden jaren tachtig schreven we allebei voor De Telegraaf. Ik had hem in Moskou in contact gebracht met een vriend die grote indruk op hem wist te maken. „Als hij naar Nederland komt, bel op, dan gaan we uit eten.”

En zo zaten we in de zomer van 1989 dan in een restaurant aan de Leidsestraat, Hiltermann met zijn vrouw Sylvia Brandt Buys, mijn vriend Stepan met zijn vrouw Svetlana en ikzelf.

„Hoe gaat het met jou?” vroeg Geebeejee.

„Ik ben aan het scheiden”, antwoordde ik.

„Scheiden?” riep Geebeejee. „Scheiden? Zo’n huwelijk wordt toch niks, wie gaat er nou scheiden!”

„Dat zegt ie alleen maar omdat ik ernaast zit”, snibde zijn vrouw Sylvia.

Pims koeien, wier eigen schuld het was dat ze steaks werden, Karels schaterlach, de filosofie van Geebeejee over scheiden – het zijn kleine feitjes waarmee we, door ze op te halen, mensen nog een stukje kunnen laten voortleven.

Zolang het duurt, natuurlijk. Want, na ons, sterven de anderen en met hen de herinneringen.

_________________________________

Reageren kan hier.