Tagarchief: stedelijk gymnasium

School

rob rondEigenlijk ging het op de lagere school al vrij vlot mis. Zo heette de basisschool toen, maar op een gegeven moment voldeed die benaming niet meer. De vooruitgang hou je niet tegen.

Juffrouw Nederhelman, zo heette mijn eerste juf. En ze deed haar naam eer aan: ze liep met een stokje door de klas en als je tijdens de leesles niet met je vinger aanwees waar een of andere stamelende kruk zat met voorlezen, kreeg je een venijnige tik op je vingers. Aan het eind van dat eerste jaar trouwde de juf en mocht ze niet meer werken. Dat waren nog eens tijden.

Het ging mis omdat ik me verveelde. Ik was altijd als eerste klaar met het dagelijkse rekenproefwerkje en haalde negens en tienen. Alleen Betsy Hoekstra was beter. Ik ben benieuwd wat er van haar geworden is, maar Google biedt geen uitkomst. Iemand? Tijdens mijn jaren op de Leerschool aan de Van Nispenstraat in Nijmegen bestond, in mijn herinnering, mijn hoofdactiviteit uit het bestuderen van de blauwe lucht door het raam.

Toen ik een jaar of tien was, liep ik met mijn vader langs een gebouw op de hoek van de Van Schevichavenstraat en de Oranjesingel. Op de gevel staat nog steeds: Gymnasium.

„Daar gaan de knapste leerlingen naartoe”, zei mijn vader. Dan ga ik daarnaartoe, dacht ik. En zo geschiedde.

Ook aan deze school, waar de ‘elite’ van Nijmegen naartoe ging – Sweder van Wijnbergen, Kees Vendrik – en waar na mij Frank Boeijen, Thom de Graaf, Kysia Hekster en Maud Mulder op zaten – bewaar ik weinig goede herinneringen.

Vlak na de oorlog was er een lerarentekort. Het waren hoogtijdagen voor zij-instromers. Zo was er een meneer De Vries, een indo, die officier in het leger was geweest en nu de kinderen kwam drillen. Dat deed hij op een heel speciale manier.

„Kom naar het bord en bereken de oppervlakte van dat trapezium”, zei hij. De radeloze leerling liet hij ploeteren. Zelf zong hij onderwijl: ‘O mijn lieve Augustijn.’ Het slachtoffer mocht pas gaan zitten nadat het met de grond gelijk was gemaakt.

Ook heel origineel pakte meneer Kerpel de zaak aan. Hij was leraar biologie, wat toen ‘natuurlijke historie’ heette. ‘Natte his’, zeiden wij. Hij begon de les met een mondelinge overhoring waarvoor iedereen bang was, vooral ook omdat voor het rapport dat cijfer even zwaar woog als een proefwerk. Een les eerder had hij het over beren gehad.

„Frans, kom maar voor de klas.”

Daar ging Frans, het noodlot tegemoet.

„En Frans, hoe gaat het met de beren?”

„Goed meneer.”

„Gaat zitten, een twee.”

Voor Frans was het zijn laatste jaar op die school. Voor Kerpel het laatste jaar van zijn leven. God straft niet alleen onmiddellijk.

Iemand moet de slechtste leraar aller tijden zijn. In mijn beleving gaat de beker naar meneer Schonk, leraar Nederlands. Toen ik nog in de eerste klas zat en rector Prins de scepter zwaaide, kwam Schonk elke eerste les te laat. Dat was afgelopen toen Prins dood was en Schutter de scepter had overgenomen.

Van Schonk heb ik in al die jaren maar één ding geleerd en wel dat de constructie ‘na dat gedaan te hebben’ een verwerpelijk latinisme is. Waarvoor dank. Hij leerde je niet hoe je een opstel moest schrijven, liet ons dat wel doen en gaf het werk pas een half jaar later terug, als je niet eens meer wist wat je geschreven had. Hij pestte een klasgenoot tot huilens toe omdat haar vader zijn huis niet aan hem, maar aan een ander had verkocht. Hij sneerde naar een ander klasgenootje dat haar vader, een PvdA-prominent en hoogleraar, een nepsocialist zou zijn, gezien de villa waarin hij woonde. Fijne leraar, meneer Schonk.

Dan Zwiebel, die gym gaf. Deze onderwijskundige heeft een bijzondere rol in mijn leven gespeeld. Het begon met een bevel van rector Schutter, in 1967: „Naar de kapper!” Voor de zoveelste keer. „Nee”, zei ik ditmaal. Ik werd geschorst. Dat was vlak voor de gymles. Ik ging mijn Hondabrommertje pakken en hoorde gebonk op de ruit. Dat was Zwiebel, wist ik, vanuit het gymlokaal, waar de jongens uit mijn klas in looppas rondjes draaiden, de langste voorop. Wie verzint dat, de langste voorop, zodat alleen die slungel goed zicht heeft? Maar ik negeerde Zwiebel en zijn gebonk, want ik was geschorst. Bonk, bonk. Ik ging door met negeren. BONK, BONK, BONK! Ik dacht: nou zal ik maar kijken, anders gaat die ruit eruit.

Zwiebel wenkte. Vanuit de fietsenstalling schudde ik nee. Hij kwam naar buiten rennen en schreeuwde: „Vunderink, kom hier!”

Flikker op, dacht ik. Ik ben geschorst. Ik schudde opnieuw nee en reed weg.

„Je had gelijk”, zei klasgenoot Evert-Jan, „maar je bent wel van school af.” Inderdaad, Zwiebel hield elk gesprek af en Schutter maakte zijn naam waar. Ik was van school af.

Aan zulke dingen moet ik denken als ik vandaag de dag lees over ons huidige, tekortschietende onderwijs. Zijn leraren nog steeds zo akelig? Ik kan het me niet voorstellen.

Merkwaardig genoeg weten studenten nu vaak niet, maar ik wel wat een beperkende en een uitbreidende bijzin is. Heb ik trouwens niet op het gymnasium geleerd, maar op de lagere school. Dankzij het gymnasium weet ik dit nog: ‘Quamvis sint sub aqua, sub aqua maledicere temptant’. ‘Quamquam sunt’ mag ook. Zoek maar op op internet.

Was het onderwijs vroeger beter? Ik weet het niet. Dan tot slot: als de hierboven vermelde namen lijken op werkelijk bestaande personen, is dat geen toeval.

_________________________________

Reageren kan hier.