Stalletje

„Kijk, heeft mama zelf gemaakt”, zegt één van mijn kinderen tegen haar lief. We kijken naar het kerststalletje. De laatste jaren zet ik het maar op de piano, buiten het bereik van de onderzoekende handjes van de jongste kleinkinderen.

„Ook de beeldjes?”, wil schoonzoon weten.

Maar die zijn niet van mijn hand, maar van Oom Han, een vriend van mijn vader.

Ik herinner me hem van vrolijke borrelpartijen, eind jaren vijftig.

Het contact tussen mijn ouders en de amateur-beeldhouwer verwaterde.

Of werd abrupt afgebroken, dat kan ook: de toenemende vroomheid van hun vriend en zijn vrouw was mijn ouders gaan tegenstaan.

De Heilige Familie bakken en glazuren in de late jaren veertig is één, maar daar kon je het volgens de doorgebroken katholieken die mijn ouders in de jaren zestig inmiddels waren maar beter bij laten.

Maria en Jozef aanbidden hun kind in deze uitvoering inderdaad heftig, maar dat kun je moderne ouders ook aanwrijven.

De vader hier overdrijft het ’t meest: zijn eerbiedig gebogen houding heeft hem eens op zijn neus doen tuimelen, een val waarbij hij beide biddende handen brak. Jozef is nu gelijmd.

Jezus ziet er in zijn kribbe niet zo pasgeboren uit. De naar zijn ouders uitgestoken armpjes kunnen van alles betekenen. Ik hou het op: „Haal me hieruit – nu kan het nog”.

Zijn devote ouders blijven bidden en reageren weinig responsief, daar kan ik voor dat arme kind ook niks meer aan veranderen.

Maar wat kritiseer ik? Boetseren is namelijk heel moeilijk.

Ooit dacht ik – de stal was al af – er zelf wel even een ezel en os bij te fabriceren. Ik kocht klei en ging aan de slag en stopte na een kwartier want het werd telkens een dino.

Deemoedig toog ik naar de pastoriewinkel.

Os en ezel hadden daar de prijs van echt vee, daarom kocht ik twee kleine schaapjes voor 35 gulden. Ze zaten aan elkaar, ik kon er niet slechts ééntje aanschaffen voor de helft en hopen dat Jezus het wonderbaarlijk zou vermenigvuldigen – iets waar hij later met brood en wijn best wel goed in bleek te zijn.

Terug naar wat ik dus wél zelf kon: het stalletje. Van kosteloos materiaal, zoals dat heet. Men neme een paar wijngeschenkkistjes en een overgebleven balkje om zelf een boekenkast te maken et voilà.

Het stro werd ruimhartig ter beschikking gesteld door de konijnen die we toen hadden en het trapje naar de hooizolder werd gemaakt van aanmaakhoutjes.

Het enige wat ik kocht was een scharniertje voor de deur naar het beestengedeelte. Waar die beesten niet eens zaten, ook niet in het echte kerstverhaal, want ezel en os stonden Jezus immers bij de kribbe warm te blazen.

Maar dat vertelde ik allemaal niet aan mijn schoonzoon. Wel dat ik de beeldjes na kerst nog steeds inpak in dezelfde oude krant – De Tijd van 14 december 1949 – als mijn moeder deed.

Vond ie wel leuk, hij is zelf een krantenjongen, van het Financieel Dagblad.

Ik ben nog anderhalf jaar jonger dan die oude krant. Vind ik wel leuk.

‘Ik trek je kop eraf’ (4)

Deel 1 | Deel 2Deel 3Deel 4 Deel 5 |  Deel 6Deel 7 | Deutsch

Ken je dat gevoel? Je wilt vanuit een oprit rechtsaf slaan, maar aan de stroom auto’s van links komt maar geen eind. De anderen hebben voorrang en de gedachte bekruipt je dat je hier nooit meer weg komt.

Dat gevoel is me talloze malen bekropen toen ik op de Duitse jeugdzorg wachtte die mijn woning moest goedkeuren voor de jeugdzorgcollega’s in Moskou. Die Duitsers kwamen maar niet langs en we vreesden al dat we onze negenjarige pleegzoon Tim nooit konden laten overkomen. Daarna stuurde Jeugdzorg Kleef het rapport tot overmaat van ramp ook nog eens op per gewone post. Hele toeren moest mijn eega in Moskou uithalen om de brief te redden.

Duitse hobbel genomen. Russische voogdij een feit. Nu een Duits visum aanvragen.

Zo gezegd, zo niet gedaan. Eerst moeten allerlei Russische documenten van een apostille worden voorzien. Een apostille is een echtheidsverklaring die documenten van het ene land rechtsgeldig maakt in andere verdragslanden. In Nederland kun je voor elke apostille terecht bij elke rechtbank. Meer dan tien minuten ben ik er in ons land nooit aan kwijt geweest.

„Kom over vier weken maar terug voor uw apostille”, zegt een ambtenaar van het ministerie van Justitie in Moskou tegen mijn eega.
„Vier weken? Kan dat niet sneller?”
„Nee, en vroeger duurde het drie maanden, dus wees maar blij.”

Zonder apostille is de uitspraak van de rechter die de voogdij regelt, niet geldig voor het Duitse consulaat.

„Waarom duurt het zo lang?”, probeert mijn eega nog maar eens.
„Eerst sturen we een informatieverzoek per post naar de rechtbank”, zegt de ambtenaar, „en daarna stuurt de rechtbank het ingevulde formulier per post terug naar ons.”

Daar is ie weer, twee keer nog wel, de Russische post, gesel der mensheid.

Drie weken later gaat mijn eega maar eens poolshoogte nemen.
„Nog niets hoor”, zeggen ze op het ministerie.
„Maar u had vier weken genoemd. Wat als het formulier over een week nog niet terug is?”
„Dan krijgt u van ons een afwijzing, dus geen apostille.”
„Een afwijzing? Op welke gronden?”
„Nou gewoon, geen reactie van de rechtbank.”

Mijn eega gaat naar de rechtbank en vraagt of ze daar het apostilleverzoek binnen hebben gekregen.
Nee.

Terug naar het ministerie.
„Kunt u mij een duplicaat van dat verzoek geven?”, vraagt mijn eega. „Dan ga ik er zelf mee langs bij de rechtbank.”
„Nee, hebben we al gezegd, dat mag niet.”
„Zo belandt mijn pleegkind alsnog in een weeshuis. Is er dan echt geen mouw aan te passen?”
Er wordt een chef bij gehaald.
„Nee, dat kan niet mens, wat zeur je nou? Wij hebben onze regels.”
„Maar uw stuk is al drie weken onderweg. Wilt u op uw geweten hebben dat een kind naar het weeshuis moet?”
De chef krabt zich op het achterhoofd.
„Kom morgenmiddag maar terug, om half vier. U krijgt het stuk voor de rechtbank mee, bij wijze van hoge uitzondering. Dat doen we anders nooit. Maar retour moet het per post. We nemen het in geen geval van u aan.”

De rechter toont alle begrip. En de rechtbank is bereid een koerier in te zetten, uiteraard op onze kosten. Het wordt de Russische tak van EMS.

Track & trace. Dagen lang geen enkele beweging. Dan duikt het poststuk op in een gat buiten Moskou. Weer stilte. Aha, de koerier heeft het stuk in handen. Dan een treurige melding: mislukte poging tot aflevering. Tijdstip: vrijdagavond tien over zes. Ministerie niet thuis. De minister moet het poststuk nu kennelijk zelf komen ophalen. Wel een identiteitsbewijs meenemen.

„Sorry, sorry”, zegt een EMS-dame bij de Russische post over de telefoon tegen mijn eega. „Maandag bezorgt de koerier het stuk nogmaals.”

Maandag laat in de middag. Track & trace. Geen enkele beweging. Ten einde raad bel ik een vriend in Moskou.
„Dat is een eenvoudig probleem”, zegt de vriend. „Los ik wel even op.”

Dinsdagochtend half twaalf. Track & trace: poststuk afgeleverd.

„Hoe heb je ’m dat geflikt?”, vraag ik aan mijn vriend.
Hij had zijn kompaan Andrej gestuurd. Om negen uur die ochtend komt er bij het bewuste postkantoor een Mercedes Geländewagen voorrijden, een joekel van een SUV. Daar stapt Andrej uit, een reus van een vent, type bodybuilder.
„Waar is de chef? Die wil ik onmiddellijk spreken.”
„Waarmee kan ik u helpen?”, vraagt het meisje aan de balie bedeesd.
„Ik zei: ik wil de chef spreken. En wel nu.”

Intussen is het een komen en gaan van koeriers.
„Wat is het probleem?”, vraagt de chef.
„Dit poststuk, daar kom ik voor.” Andrej overlegt de track & trace-code.
De chef rommelt wat. „Hier is het.”
„Waar is de koerier die het stuk moet bezorgen?”
De chef pakt een jongeman bij de arm die net voorbijkomt.
„Jij bent de koerier?”, zegt Andrej. „Aan jou de keus: je gaat nu onmiddellijk dit stuk bij het ministerie afleveren en dan betaal ik je een extraatje of ik trek je kop eraf.”

„Nog niet binnen”, zegt de afdelingschef op het ministerie.
„Bij de balie hiernaast zeiden ze net van wel”, werpt mijn eega tegen. „Ze zeiden dat u het zo kunt pakken.”
De chef kookt van woede. „Jullie denken dat dat allemaal zo simpel is. Er komen hele procedures bij kijken hoor. Wat wilt u nou?”
Mijn eega wil maar één ding. „Wanneer?”
„Kom morgen om twaalf uur, ga op de gang zitten wachten en verroer je niet.”

Twaalf uur. In de gang staat een enorme rij. Mijn eega blijft zitten waar ze zit en verroert zich niet. Medewerkers lopen voorbij en kijken haar aan. De chef komt voorbij en doet of hij haar niet ziet.
Na twintig minuten schiet mijn eega een medewerker aan. „Wanneer ben ik aan de beurt?”
„Daar gaat de chef over”, zegt de medewerker schichtig.
Daar is ie dan, de chef. Alweer boos. „Wat zit u daar nou, het stuk is allang klaar.”
Zuchtend en foeterend maakt de chef zijn paperassen in orde. Als mijn eega eindelijk naar buiten loopt, hoort ze een medewerker tegen een collega zeggen: „Wat een rotdag. Niks dan scheldpartijen.”

In dezelfde straat zit ook een banketbakker. Mijn eega loopt er naar binnen, koopt een taart en keert terug naar het ministerie. Een medewerker kijkt of hij water ziet branden: is ze daar nu alweer?

„Alsjeblieft, een taart voor jullie. Misschien helpt dit jullie aan een beter  humeur.”

„Eh… dank u”, stamelt de medewerker.

Het Russische dossier is klaar. Op naar het Duitse consulaat. Zou Tim nu naar zijn pleegouders in Duitsland mogen of wachten er nieuwe obstakels? Intussen zit mijn eega door de voogdijperikelen al zeven maanden vast in Moskou. Een kind krijgen via de bureaucratie is lastiger dan via de baarmoeder.

(Wordt vervolgd)

Deel 1 | Deel 2Deel 3Deel 4 Deel 5 |  Deel 6Deel 7 | Deutsch

 

________________________________

Reageren kan hier.

‘Ich ziehe dich den Kopf ab’ (4)

Teil 1 | Teil 2Teil 3 | Teil 4 | Nederlands

Kennst du dieses Gefühl? Du willst von einer Einfahrt aus nach rechts abbiegen, aber am Strom der Autos von links kommt kein Ende. Die anderen haben Vorfahrt und der Gedanke beschleicht dich, dass du hier nicht mehr wegkommen wirst.

Dieses Gefühl traf mich unzählige Male, als ich darauf wartete, dass ein deutsches Jugendamt mein Heim für Jugendamtkollegen in Moskau genehmigen musste. Die Deutschen stolperten immer, um die Wohnung zu inspizieren, und wir befürchteten, dass wir unseren neunjährigen Pflegesohn Tim nie zu uns nach Deutschland mitbringen könnten. Danach schickte das Jugendamt Kreis Kleve zu allem Unglück seinen Bericht mit der normalen Post. Meine Frau musste in Moskau auf alle möglichen Tricks und Schichten zurückgreifen, um den Brief zu retten.

Deutsche Hürde genommen. Vormundschaft eine Tatsache. Jetzt ein deutsches Visum beantragen.

Wie gesagt, so nicht getan. Zuerst müssen alle Arten von russischen Dokumenten mit einer Apostille versehen werden. Eine Apostille ist eine Echtheitserklärung, die Dokumente aus einem Land in anderen Vertragsstaaten rechtsgültig macht. In den Niederlanden kann man sich für jede Apostille an jedes Gericht wenden. Mehr als zehn Minuten habe ich daran in unserem Land noch nie verloren.

„Kommen Sie in vier Wochen für Ihre Apostille zurück”, sagt ein Beamter des Justizministeriums in Moskau zu meiner Frau.
„Vier Wochen? Geht das nicht schneller?”
„Nein, und in der Vergangenheit waren es drei Monate, also Sie können von Glück reden.”

Ohne Apostille ist das Urteil des Gerichts, mit dem die Vormundschaft geregelt ist, für das deutsche Konsulat nicht gültig.

„Warum dauert es so lange?”, versucht meine Frau noch einmal.
„Zuerst senden wir eine Informationsanfrage per Post an das Gericht”, sagt der Beamte. „Und dann schickt uns das Gericht das ausgefüllte Formular per Post zurück.”

Da ist sie wieder, zweimal sogar, die russische Post, Geißel der Menschheit.

Drei Wochen später beschließt meine Frau zu sehen, wie das Geschäft läuft.
„Noch nichts”, sagen die Leute im Ministerium.
„Aber Sie hatten vier Wochen erwähnt. Was passiert, wenn das Formular jetzt nicht innerhalb einer Woche zurückgeschickt wird?”
„Dann erhalten Sie von uns eine Ablehnung, also keine Apostille.”
„Eine Ablehnung? Aus welchem Grund?”
„Nun ja, keine Antwort vom Gericht.”

Meine Frau eilt zum Gericht und fragt, ob sie dort den Apostille-Antrag erhalten haben.
Nein.

Zurück zum Ministerium.
„Können Sie mir ein Duplikat dieser Anfrage geben? Dann werde ich es dem Gericht selbst übergeben.”
„Nein, wir haben schon gesagt, das sei nicht erlaubt.”
„So kommt mein Pflegekind doch in ein Waisenhaus. Gibt es wirklich keine Lösung?”
Der Abteilungsleiter wird gerufen.
„Nein Mensch, unmöglich, was nörgeln Sie? Wir haben unsere Regeln.”
„Aber die Post ist schon seit drei Wochen unterwegs. Möchten Sie auf Ihrem Gewissen haben, dass ein Kind ins Waisenhaus muss?”
Der Leiter kratzt sich am Kopf.
„Kommen Sie morgen Nachmittag um halb fünf wieder. Sie erhalten das Dokument für das Gericht. Aber es soll per Post zurückkommen. Wir werden es unter keinen Umständen von Ihnen annehmen.”

Der Richter ist ein verständnisvoller Mensch. Und das Gericht ist bereit, einen Kurier zu benutzen, natürlich auf unsere Kosten. Es wird der russischen Niederlassung von EMS  anvertraut.

Sendungsverfolgung. Lange Zeit keine Bewegung. Dann erscheint die Postsendung in einem Nest außerhalb Moskaus. Wieder Stille. Aha, der Kurier hat die Sendung erhalten. Dann diese Meldung: Fehlgeschlagener Zustellversuch. Zeit: Freitagabend, zehn nach sechs. Schalter geschlossen. Ministerium nicht zu Hause. Der Minister muss nun anscheinend selbst zur Abholung der Postsendung kommen. Ausweis mitbringen.

„Sorry, sorry”, sagt eine EMS-Lady von der russischen Post. „Am Montag bietet es der Kurier wieder an.”

Montag am späten Nachmittag. Sendungsverfolgung. Überhaupt keine Bewegung. Ich bin mit meiner Weisheit am Ende und rufe einen Freund in Moskau an.
„Das ist ein einfaches Problem”, sagt der Freund. „Ich werde das für dich lösen.”

Dienstag halb eins. Sendungsverfolgung: Postsendung geliefert.

„Wie hast du das gedeichselt?”, frage ich meinen Freund.
Er hatte seinen Partner Andrej geschickt. Um neun Uhr an diesem Morgen kommt ein riesiger Mercedes-Geländewagen bei der bewussten Poststelle an. Dort steigt Andrej aus, ein Hüne von Gestalt.
„Wo ist der Leiter? Ich muss ihn sofort sprechen.”
„Womit kann ich Ihnen helfen?”, fragt das Mädchen an der Theke schüchtern.
„Ich sagte: Ich muss mit dem Leiter sprechen. Und zwar jetzt.”

Inzwischen ist es ein Kommen und Gehen von Kurieren.
„Was ist das Problem?”, fragt der Leiter.
„Diesen Gegenstand, dafür komme ich.” Andrej schiebt ihm die Sendungsnummer unter die Nase.
Der Leiter stöbert in einem Schrank. „Hier ist es.”
„Wo ist der Kurier, der die Postsendung zustellen muss?”
Der Leiter packt einen jungen Mann am Arm, der gerade vorbeikommt.
„Du bist der Kurier?”, sagt Andrej. „Du hast die Wahl: du wirst diesen Gegenstand sofort dem Ministerium übergeben, und dann werde ich dich ein Extra zahlen, oder ich ziehe dich den Kopf ab.”

„Noch nichts”, sagt der Leiter im Ministerium.
„Ihre Kollegen am Schalter sagen, dass die Postsendung da ist”, wendet meine Frau ein.
Der Leiter kocht vor Wut. „Sie denken, das alles sei so einfach. Es gibt ganze Prozeduren. Was wollen Sie denn?”
Meine Frau will nur eines. „Wann?”
„Kommen Sie morgen um zwölf Uhr. Setzen Sie sich auf den Flur und bewegen Sie sich nicht.”

Zwölf Uhr. Im Flur steht eine lange Schlange. Meine Frau bleibt wo sie ist und bewegt sich nicht. Mitarbeiter gehen vorbei und schauen sie an. Der Leiter kommt vorbei und tut so, als würde er sie nicht sehen.
Nach zwanzig Minuten erschießt meine Frau einen Angestellten. „Wann bin ich an der Reihe?”
„Chefsache”, sagt der Mitarbeiter scheu.
Da ist er ja, der Leiter. Wieder wütend. „Was sitzen Sie da, die Apostille ist schon lange fertig.”
Seufzend und schäumend kümmert sich der Leiter um seine Papiere. Als meine Frau schließlich nach draußen geht, hört sie, wie ein Mitarbeiter einem Kollegen sagt: „Was für ein schreckliger Tag. Nichts als Beschimpfungen.”

In derselben Straße befindet sich eine Konditorei. Meine Frau kauft eine Torte und kehrt zum Ministerium zurück. Ein Mitarbeiter guckt, als ob er Wasser brennen sieht: Sie wieder?

„Bitte, eine Torte für Sie. Vielleicht hilft Ihnen das, bessere Laune zu bekommen.”

„Eh… danke”, stammelt der Mitarbeiter.

Das russische Dossier ist fertig. Auf zum deutschen Konsulat. Würde Tim jetzt zu seinen Pflegeeltern nach Deutschland gehen dürfen oder warten neue Hindernisse auf uns? Inzwischen sitzt meine Frau wegen der Vormundschaftstuerei schon seit sieben Monaten in Moskau fest. Ein Kind durch die Bürokratie zu bekommen, ist schwieriger als durch die Gebärmutter.

(Fortsetzung folgt.)

Teil 1 | Teil 2Teil 3 | Teil 4 | Nederlands

______________________________________________

Sie können Ihren Kommentar hier posten.

 

 

Hans

Was Jenny maar in de buurt geweest met haar ogen, om zijn leven te verlengen. Duizend jaar is wat veel gevraagd, maar zeventig jaar is veel te kort. Een jaar of twintig erbij had ik Hans Vermeulen zeker gegund.

De weinige keren dat ik deze bescheiden gigant van de Nederlandse popmuziek heb ontmoet, wist hij op te vallen. Mijn eerste indruk was die van een harde jongen. Sandy Coast – vreemd genoeg legt iedereen de klemtoon op Sandy – speelde in het Brabantse dorpje Zeeland voor een halflege zaal en een DJ kon bij zijn aankondiging niet op de naam van de band komen. Even tussendoor: een DJ was toen alleen nog iemand die plaatjes aan elkaar praatte.
„En dan nu weer de beurt aan… eh… eh…”
Hulpeloos tilde de jongen zijn rechterarm op en plaatste zijn wijsvinger boven op zijn hoofd. Onmiddellijk spiegelde Hans dat gebaar en wees ook hij met zijn vinger op zijn schedeldak. Sardonisch lachje erbij.

Onze band Cobra kreeg van Hans een flinke veeg uit de pan in De Telegraaf. Cobrazanger Winston Gawke had een interview gegeven aan Jip Golsteijn en Barry Zand Scholten. Na het interview stak Winston aan de bar een tirade af. Waarom steunde de Nederlandse pers de eigen muzikanten niet? Waarom die waardering voor een band als Focus? Dat was toch helemaal niks! Die tirade kwam in de krant met een door Winston gesouffleerde kop: ‘Na Beatles kwam Cobra.’ Zoiets noem je: regelrecht het graf in prijzen. Een week later spuwde Hans in De Telegraaf zijn gal over Cobra en prees hij Focus.

Op het Legends Festival in een Apeldoorns park stelde Hans het publiek de leden van de band The Rest voor. „Op bas Len Bouman, net 65 jaar geworden. Voor het eerst van zijn leven een vast inkomen.”

Verder moet ik het doen met verhalen van anderen. En die zijn er. Begin jaren tachtig nam Hans het album ‘Terreno’ op met Pim Koopman als producer. Hans kwam altijd te laat en had nooit iets af. Hij blowde zichzelf die jaren bijkans bewusteloos. Een flard van een liedje had hij af, zonder tekst en zonder refrein.
„Ga maar naar huis”, zei Pim, „en kom maar terug als het af is.”
Intussen moest Pim in de studio de geboekte tijd zien te vullen, dus speelde hij pro forma maar vast een gitaarsolo in.
Toen Hans weer verscheen, had hij een refrein. En twijfel: „Ik weet niet of het wat is.”
Hij speelde het voor. Pims reactie: „Niets meer aan doen. Hebbes.”
Pim liet de gitaarsolo horen.
„Goed”, zei Hans, „die houden we.” Zo was ‘The Eyes of Jenny’ geboren, met een gitaarsolo van Pim Koopman. Het liedje zou Hans’ grootste hit worden.

„Ik hoor het al”, zei Hilde bij een bezoek aan de studio. Haar huwelijk met Hans was druk bezig te stranden en de sfeer was geladen. „Dit wordt dus ook weer niks.”

Met zulke fratsen moet je bij producer Koopman in de studio niet aankomen. Voor hij ging werken met Shocking Blue was hij gewaarschuwd voor Rob van Leeuwen en diens prikkelbaarheid, dus besloot hij bij de kennismaking op zijn eigen, brute wijze de lucht te klaren.
„Wat ben jij klein!”, zei Pim, terwijl hij Robs hand schudde. Zo, dat hadden ze maar vast gehad.

Toen het tijd was om de zang op te nemen, zei de technicus: „Ik weet precies wat er nu gaat gebeuren: Mariska Veres zingt in één keer het hele liedje goed in. Daarna een tweede take en die is nog beter. Dan begint Rob te zeiken en wordt de zang een hele dag lang woord voor woord ingeprikt. Daar wil ik niet bij zijn.”

Mariska zingt. Helemaal goed. Nog een keer. Nog beter.
Rob van Leeuwen: „Godvedegodvâh. Hé Veâh, rieleks toch ’ns un keâh. Je gaat thùis toch auk nie vals laupe zingûh.”

Ingreep van Pim. „Rob, zou jij even koffie kunnen gaan drinken aan de bar?”

Als een kleine jongen liet Rob zich wegsturen. Een half uur later was de zang klaar.

„Hoe heb je dat nou gedaan?”, wilde hij weten. Er waren wat oneffenheidjes bijgewerkt, meer niet.

„Zeg Hilde, zou jij misschien aan de bar een kopje koffie kunnen gaan drinken?” Pim zette haar de regiekamer uit.

Hans nerveus. „Eh Pim, ik heb liever dat je dat niet doet.” Hans hield niet van conflicten.

Tijdens een evenement met veel muzikanten stapte Hans op Lee Towers af.
„Hé Leen, gisteren was er een vent op tv, die deed al jouw liedjes.”
Een dag eerder was er een show van Sinatra uitgezonden.

Bij een andere gelegenheid was voor de muzikanten overnachting geregeld, waarbij ze twee aan twee een hotelkamer moesten delen. De organisatoren hadden het speciaal zo uitgedokterd dat Hans Vermeulen en Patricia Paay bij elkaar in een kamer belandden. Toen Hans de volgende ochtend de ontbijtzaal binnenkwam, kreeg hij een staand applaus.
Hans, vette grijns: „Ik hoefde niets te doen.”

Deze verhalen zijn uit de eerste en tweede hand. Voor zover niet legendarisch, laat ze bijdragen aan de mythe.

Hans’ afkeer van frictie bleek ook na het overlijden van Peter de Wit alias Pee White. Op zijn Facebook-tijdlijn plaatste Hans steevast R.I.P’s voor overleden vakgenoten, dus ook in het geval van Peter. Waarop de goegemeente gewoontegetrouw aan het prijzen sloeg.

Niet ik. ‘Peter de Wit was een dief’, schreef ik over de ex-manager van onze band Cobra. Waarop de goegemeente gewoontegetrouw over mij heen viel: over de doden niets dan goeds. Als dat het geval was, zou je tevergeefs zoeken naar boeken over Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot.

Ik legde Hans uit hoe De Wit in elkaar stak. Toen een bandje de samenwerking met hem opzegde en de gitarist en bassist na veel gedoe hun geluidsinstallaties terugkregen, kwam er een moddergeluid uit de speakers. Wat bleek? De Wit had het speakerdoek met speldeprikken doorboord.
‘Ik meld je dit maar even via Messenger’, schreef ik Hans, ‘om het vuurtje niet verder op te poken.’
Hans: ‘Daar ben ik blij om.’

De laatste R.I.P. heeft Hans niet op zijn tijdlijn kunnen zetten. De schepper van het fantastische ‘I See Your Face Again’ is niet meer. Zonde.

________________________________

Reageren kan hier.

Ontheemd

Mijn vader en de Sovjet-Unie, allebei zijn ze honderd jaar geleden geboren en allebei zijn ze dood. Van de laatste had ik dat niet aan zien komen. Terwijl toch al in 1970 de dissident Amalrik met zijn boek ‘Haalt de Sovjet-Unie 1984?’ kwam. Of neem Orwell, schrijver van ‘Animal Farm’ en ‘1984’, die in 1946 aan het papier toevertrouwde dat ‘het Russische regime ofwel zichzelf zal democratiseren ofwel ten onder zal gaan’.

En inderdaad, Gorbatsjov sloeg in 1985 aan het democratiseren en Jeltsin liet in 1991 de bijl vallen. Het rijk dat Stalin had gekneed over de lijken van tientallen miljoenen, klapte uit elkaar. Peperduur had het experiment uitgepakt. De tsarenfamilie, overige adel, intellectuelen, zakenlieden, geestelijken, zelfstandige boeren en buitenlanders waren vermoord of verdreven door het tuig dat in 1917 de macht greep.

Dat een omwenteling in dit merkwaardige land wreed zou uitpakken, voorspelde de Franse reiziger De Custine in zijn boek ‘Rusland in 1839’: ‘Als er in Rusland ooit een revolutie plaatsvindt, zal het moorden even regelmatig worden als de bewegingen van een regiment soldaten.’

Met de bloem der natie vernietigd duwden de bolsjewieken een inert volk de dwangeconomie door de strot. Hoeveel graan, aardappelen, wc-papier, broeken, jurken en schoenen het volk nodig had, werd bedacht in staatskantoren. De productiewonderen werden geperst in vijfjarenplannen.

Alleen, de wonderen bleven uit. Met tekorten als gevolg. Wat onder de Russen zelf leidde tot de volgende humor.

Klant, starend naar lege winkelschappen: „Geen vlees?”
Verkoopster: „Nee, geen vis. Geen vlees is aan de overkant.”

In 1981 reisde ik met de nachttrein naar Moskou. Een Sovjet-douanier trof in mijn bagage een Nederlandse krant aan. „Van wie is dit het orgaan?”, vroeg hij. Ik had geen idee waar hij het over had. Later zag ik op een gevel in Moskou een leuze van Lenin: ‘De krant is niet alleen een collectieve propagandist en collectieve agitator, maar ook een collectieve organisator.’ Laat wel, maar het kwartje viel: in de Sovjet-Unie brengen de media geen nieuws, maar mennen ze de massa.

Vandaar Amalriks grapje toen hem in 1968 tijdens een proces tegen dissidenten in Moskou door een westerse journalist gevraagd werd wat hij vond van de gang van zaken: „Als Sovjet-burger lees ik mijn mening morgen in de krant.”

‘Wij zijn internationalisten’, nog zo’n leuze. Lekkere internationalisten, dacht ik toen ik nog een groentje was, terwijl de burgers hun land niet uit mogen. Onder Russen ook weer voer voor grappen. „In het tv-programma ‘Reizigersclub’ kan de kijker met eigen ogen zien wie er naar Spanje mag”, sneerde een bevriende Moskoviet.

‘Wij zijn internationalisten’ diende een ander doel. Met de leuze probeerden de machthebbers de relatie tussen de volken in het enorme koloniale rijk bij te sturen. Dat was nodig en het lukte niet. Toen ik in 1985 met een Russische vriend in Vilnius aan een cafétafel aanschoof bij Litouwse jongelui, draaiden ze zich ostentatief van ons af. Russen noemden Kaukasiërs ‘zwartreten’. Een Moskouse organisator van een vuurwerkshow wilde in 1990 een Joodse naam van de medewerkerslijst schrappen. Ruslandkenner Karel van het Reve typeerde het zo: „In de Sovjet-Unie is antisemitisme verboden, want de staat heeft het monopolie.”

‘Communisme is sovjetmacht plus elektrificatie van het hele land’, stond in grote letters op het dak van een energiecentrale langs de oever van de Moskva. Een kreet van Lenin om het land te doen opstomen in de vaart der volkeren. Een Moskouse wiskundige kwam met deze lumineuze oplossing om het land aan stroom te helpen: „Elektrificatie is communisme minus sovjetmacht.”

Jullie in het Westen hebben niet zulke goede humor, zeiden Russische vrienden tegen mij, want jullie hebben het veel te goed. Grappend en grollend sloegen ze zich door het leven, dat in het land van het ‘reëel bestaande socialisme’ inderdaad veel zwaarder was dan elders in Europa en Amerika.

Toch was het einde van de heilstaat voor velen een drama. Alle offers bleken gebracht voor een illusie, een leugen. Een hele generatie raakte ontheemd zonder ooit te verhuizen.

________________________________

Reageren kan hier.

Tims lange weg naar Duitsland (3)

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4Deel 5 |  Deel 6Deel 7 | Deutsch

De negenjarige Tim is zijn moeder kwijt aan koning alcohol en mag nog niet met zijn tante annex voogd naar Duitsland. Eerst moet jeugdzorg Moskou groen licht geven voor zijn emigratie. Daarvoor is een rapport van jeugdzorg Kleef nodig over de woonomstandigheden van ons, de pleegouders.

Waar hangt dat rapport uit? De Russische post is hoogst onbetrouwbaar, maar dat kon de Duitse jeugdzorg niks schelen. Mijn smeekbede om het stuk op mijn kosten per DHL te versturen kletterde op de rotsen.

Eerste hindernis: Deutsche Post meldt via zijn website track & trace in Rusland niet te kunnen bieden. Tweede hindernis: de Russische post herkent de Duitse track & trace-code niet. Puzzelen, puzzelen, puzzelen. Wat blijkt? Je moet van de barcode de laatste drie cijfers afslopen en dan lukt het. Lastig als je met die kennis niet geboren bent.

De brief is blijven steken in Sjarapovo, 41 kilometer buiten Moskou. Net als bij tennisster Maria Sjarapova ligt de klemtoon op de tweede a. Dit even als komisch intermezzo. Het poststuk ligt er al zeven dagen en er zit geen beweging in. Mijn eega belt de Russische post.

„O, dan ligt de brief bij de douane”, meldt een dame.
Mijn eega wil weten hoe we de zaak kunnen bespoedigen.
„Contact met de douane is niet mogelijk”, zegt de dame.
Hoe lang kan de douaneafhandeling duren?
„Voor de douane geldt een onbeperkte tijdslimiet.”

Via de mail krijg ik goede raad van vrienden: „Vraag de chef van het Jugendamt in Kleef om hulp.” En: „Schakel een advocaat in.”

Chef U. van het Jugendamt heeft het hart op de juiste plaats, getuige dit interview. Ik leg hem de situatie per mail uit en vraag om hulp: ‘Ik heb er natuurlijk begrip voor dat er regels en procedures zijn, maar ik zou u zeer erkentelijk zijn als u binnen de wettelijke mogelijkheden een manier zou kunnen vinden om het verslag zo snel mogelijk in Moskou te krijgen. Ik ben bereid de verzendkosten op me te nemen.’

Reactie van chef U., laatste hoop voor verweesde kindertjes: geen, niets, niente. Hij zwijgt.

Een advocaat inschakelen dan maar? ‘Komt u maar naar Keulen’, schrijft een advocaat voor familierecht. ‘Het eerste consult kost 230 euro.’
En wat gaat zijn hulp me in totaal kosten?
‘De ervaring leert dat u op 1500 tot 2000 euro uit zult komen.’

De een z’n nood is de ander z’n brood. Ik probeer het in Kleef. Ik vraag aan een advocaat of het zin heeft het Jugendamt via een jurist te porren om die brief nogmaals te sturen, ditmaal per DHL. Mijn budget is beperkt, waarschuw ik. Voor een bedrag van 200 tot 300 euro kan ze me wel helpen, zegt ze.

‘Geachte mevrouw Hoofd’, staat als aanhef in de brief van de advocaat. De brief was verder oké. Nou was de naam Hoofd nieuw voor mij, maar de advocaat had met het Jugendamt eerder al van doen gehad en kende er wellicht beter de weg. Toch belde ik voor de zekerheid even op om te vragen wie mevrouw Hoofd was.
„Die heeft u zelf genoemd”, zei de advocaat.
Ik stond perplex. ‘Hoofd van de afdeling: de heer U.’, stond in mijn mail.
„Oeps”, zei de advocaat.
Rechtgezet. Dacht ik. Maar de volgende dag meldde een secretaresse dat ze de brief nogmaals verstuurd had. De foute aanhef was dus gewoon op de bus gegaan.

Bijna een week bleef het stil. Pas op mijn aandringen nam de advocaat per telefoon poolshoogte.
„Ik heb met meneer U. gesproken”, zei de advocaat, „en die zei dat jullie er met die brief nog lang niet zijn. Adoptie in een derde land duurt heel lang en Rusland doet er heel moeilijk over.”
Weer stond ik perplex. De advocaat en chef U. hadden op mijn kosten uitgebreid over internationale adoptie gesproken, terwijl het geen adoptiezaak is. Het gaat om voogdij en mijn eega is in Moskou al tot voogd benoemd.

Maximaal 300 euro zou de advocaat rekenen. Maar nee, er heeft een wonderbaarlijke vermenigvuldiging plaatsgevonden. In een envelop die op de mat valt, zit een rekening van 1005,25 euro. Gelukkig betoont de advocaat zich schappelijk: afbetalen mag. Dus nu moeten we ook nog slag gaan leveren met een advocatenkantoor.

Opeens komt in Rusland de Duitse brief in beweging. Op een zaterdag blijkt het stuk te zijn beland in een postkantoor waar de Moskouse jeugdzorg hem kan afhalen.

Maandag. Mijn eega wacht en wacht en wacht. Ze belt jeugdzorg. „Wij weten van niks”, zegt haar contactpersoon. „We hebben geen bericht gekregen.”

Mijn eega loopt naar het postkantoor en informeert naar een aangetekende brief uit Duitsland.
„Ja, die ligt hier”, zegt een dame, „maar ik weet niet wat ik ermee moet.”
Wat blijkt? Er staat geen geadresseerde op. Het stuk is gericht aan de Russische Federatie. Stel je de volgende adressering voor: Aan het Koninkrijk der Nederlanden, Bosbesstraat 9, Nijmegen.
Mijn vrouw biedt aan om het stuk in ontvangst te nemen.
„En wie bent u dan wel?”
„Ik ben van Jeugdzorg”, liegt mijn vrouw. Het voelt goed.
De dame kijkt argwanend. „Wat is uw functie?”
„Assistente.”
„Assistente van wie?”
„Van de directie.”
„Alstublieft. En neemt u de overige post ook maar mee.”
Mijn eega zet een handtekening. Haar ID hoeft ze niet te tonen.

De brief die wij van de Duitse jeugdzorg niet mochten zien, is in ons bezit. Mijn vrouw brengt hem naar jeugdzorg Moskou, die het stuk weer teruggeeft, zodat wij de Duitse tekst in het Russisch kunnen vertalen. Een ambtelijk stuk dat terechtkomt bij de personen over wie het gaat? Ondenkbaar in Duitsland. Ordnung muss sein. Als het Jugendamt dood was, zou het zich omdraaien in zijn graf.

(Wordt vervolgd.)

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4Deel 5 |  Deel 6Deel 7 | Deutsch

_______________________

Reageren kan hier.

 

 

Tims lange weg naar Duitsland (2)

Deel 1 | Deel 2  | Deel 3Deel 4 Deel 5 |  Deel 6 |  Deel 7 | Deutsch

Tim, inmiddels 9 jaar, is zijn moeder kwijt aan koning alcohol en krijgt zijn tante als voogd. Probleempje: Tim woont in Moskou en zijn tante woont in een Duits grensdorp. Een Russisch pleegkind mag zomaar niet mee naar het buitenland.

„Eerst moet u in Duitsland uw woning laten inspecteren”, zegt de dame van de Moskouse jeugdzorg.

O jee, stront aan de knikker. Hoe krijg je de Duitsers in beweging? Mijn eerdere ervaringen waren weinig bemoedigend geweest.

Op 12 mei was mijn eega in Moskou aangekomen. Meteen alarm: haar neefje Tim moest naar een kindertehuis. Wij wierpen ons op als voogd. Per mail vroeg ik aan het Jugendamt Kreis Kleve hoe we deze kwestie aan Duitse zijde moesten aanvliegen.

‘Ik ben met vakantie’, mailde de robot van mevrouw K. ‘Voor noodgevallen kunt u terecht bij mevrouw H.’

Een weeshuis lijkt me nogal een noodgeval. Mevrouw H. vond van niet: ‘Wacht maar rustig tot mevrouw K. terug is van vakantie.’

Eind juni. Mevrouw K. is terug van vakantie en mailt terug: ‘Ik kan niets voor u betekenen. Hoogstwaarschijnlijk kan de vreemdelingendienst u verder helpen.’

Nee mevrouw K., in Rusland vragen ze om een inspectie van onze woning hier.

Mevrouw K.: ‘Dan moet u bij mijn collega’s van adoptie zijn.’

Nee mevrouw K., het gaat niet om adoptie, we praten hier over voogdij.

Afdeling adoptie: ‘U moet toch echt bij mevrouw K. zijn. Zij doet uw dorp.’

Zo strandden mijn eerste pogingen om bij het Jugendamt Kreis Kleve zelfs maar informatie los te krijgen. En nu moesten ze gaan meewerken?

„Alstublieft”, zei de jeugdzorgdame in Moskou, „een brief voor onze collega’s in Duitsland.” In de brief een simpel verzoek: zou u de woonomstandigheden ter plaatse willen inspecteren en de voogd uw verslag ter hand willen stellen?

„Ik kom dinsdag langs”, zegt mevrouw K. medio augustus, na ontvangst van het verzoek. „Ik moet het nog wel even met mijn chef kortsluiten.”

Drie dagen later, telefoon: „Mijn chef gaat niet akkoord. Met u doen we geen zaken, alleen met collega’s. Moskou dient rechtstreeks een verzoek aan ons te richten.”

Wacht even. Die brief bevatte een rechtstreeks verzoek op het briefpapier van de Moskouse jeugdzorg. Het verzoek was gericht aan ‘de bevoegde jeugdzorginstantie in de woonplaats van de betrokkene’. Ondertekend door een Moskouse jeugdzorgchef.

Niet goed genoeg, oordeelde mevrouw K. na het gesprek met haar chef. „De brief mag niet via u komen.” Voor het eerst van mijn leven ondervond ik hinder van het feit dat ik geen postduif ben.

„Jeugdzorg Moskou kan het verzoek naar u mailen”, opperde ik.

„Nee, per mail mag niet, wel per fax”, zei mevrouw K.

Op het Moskouse briefpapier staat een faxnummer. Maar helaas, de fax is kapot, geld voor een nieuwe is er niet en komt er niet, net zo min als nieuw briefpapier, want het oude is nog lang niet op.

„De fax in Moskou is stuk. Via de Russische post is zo’n verzoek maanden onderweg. Is er geen mouw aan te passen?”, vroeg ik aan mevrouw K.

„Nee.”

„Kan ik bij u op gesprek komen om een en ander nader uit te leggen?”

„Nee.”

Dan maar zo. Ik vertaal het Russische verzoek in het Duits en mail dat naar Moskou. Daar maakt jeugdzorg een tweetalige brief op, niet gericht aan ‘de bevoegde instantie’, want daarin had het Jugendamt geweigerd zichzelf te herkennen, maar aan Jugendamt Kreis Kleve. Mijn eega neemt de brief in ontvangst en stuurt die met spoed op via DHL à raison van 60 euro. Dankzij track & trace weet ik dat de brief op 29 augustus bij het Jugendamt arriveert, één dag na verzending. Vervolgens is diezelfde brief bij het Jugendamt intern een week onderweg naar het bureau van mevrouw K.

Telefoon. „Ik kom donderdag bij u langs”, zegt mevrouw K., monter als altijd. „Ik heb ook een aantal vragen voor u en uw vrouw.”

„Mijn vrouw is in Moskou. Een voogd kan zomaar niet weg bij zijn pleegkind.”

„Oké, maar ik heb wel een Führungszeugnis van u en uw vrouw nodig.”

Wat nu weer? „Kan ik hier bij de gemeente wel zo’n Verklaring Omtrent het Gedrag voor mijn vrouw aanvragen?”

„Dat weet ik niet.”

„Dat kan niet”, zegt de gemeente. „Dat kunnen mensen alleen zelf doen. Eventueel per post.”

Per post uit Rusland? Daar hebben we het al over gehad. Eerst maar eens kijken hoe je zo’n aanvraag op afstand aanpakt. Wat blijkt? Je downloadt een formulier en laat je handtekening bij het Duitse consulaat legaliseren.

„Kan niet”, zegt het Duitse consulaat in Moskou. „Legaliseren doen we alleen voor Duitsers.”

Dus laat mijn eega haar handtekening door het Nederlandse consulaat in Moskou legaliseren. Maar hoe krijg je dat formulier vervolgens bij het Bundesjustizamt in Bonn? Per mail mag niet. Per post lukt niet of is peperduur. Nood breekt wet. In Moskou scant mijn vrouw de aanvraag, per mail belandt een kopie thuis in Duitsland op mijn computer, ik druk het stuk af en stop het in een envelop naar Bonn. Twee weken later valt het Führungszeugnis op de deurmat. De wereld wil bedrogen worden.

Weken verstrijken na het huisbezoek van mevrouw K. Tsja, ze mag niets doen buiten haar chef om en die kan ze moeilijk te pakken krijgen. Druk druk druk. Of ik wel weet hoe groot het district Kleef is. Ik zoek het op: 300.000 inwoners. De regio Moskou telt 20 miljoen inwoners en daar gaat het wel vlot.

Dan eindelijk groen licht: op donderdag 28 september zal ze het stuk uitsturen.

„Langs welke weg?”

„Per post.”

„Ik heb u zo vaak gezegd: post naar Rusland komt pas na maanden aan. Of nooit. Kijk hier maar eens. Daar staat: als ze u zeggen dat een poststuk zo’n tien dagen onderweg is, maak daar dan maar honderd van. Kunt u het naar Moskou mailen?”

„Mag niet.”

„Kan ik een kopie krijgen?”

„Mag niet.”

„Kunt u het dan met spoed per DHL opsturen? Ik betaal de kosten.”

„Ik zal het mijn chef voorstellen.”

Dat was donderdag. Op dinsdag vertelt mevrouw K. dat de brief via de Deutsche Post verstuurd is. En daarginds dus bij de Russische posterijen terecht zal komen.

Praten met het Jugendamt is vechten tegen de bierkaai. Inmiddels zijn er weer twee weken verstreken. Waar is de brief waarvan het lot van de kleine Tim afhangt? Wie het weet, krijgt een olifant.

Deel 1 | Deel 2  | Deel 3Deel 4 Deel 5 |  Deel 6 |  Deel 7 | Deutsch

_______________________

Reageren kan hier.

 

 

 

Tims lange weg naar Duitsland (1)

Deel 1  | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4Deel 5 |  Deel 6 |  Deel 7 | Deutsch

„Tim moet naar een kindertehuis”, zei mijn eega op een dag, nadat ze de telefoon had neergelegd. Tim, het achtjarige zoontje van haar jongste zus, was door Jeugdzorg bij zijn moeder weggehaald toen ze hem weer eens stomdronken van school kwam halen. De oudste zus nam tijdelijk de zorg op zich, maar kon het niet meer aan. Haar man van 73 was drie jaar eerder verlamd geraakt door een beroerte en de jongen was zo druk en lastig als een kind hoort te zijn.

„Naar een weeshuis?”, zei ik. „Dat nooit. We nemen het kind in huis.”

Zo gezegd, zo gedaan. En we leefden nog lang en gelukkig.

Dus niet. Want tussen ons en het neefje loopt een dikke vette grens: die tussen de EU en Rusland. Eerst gaat zich een hele kudde Russische ambtenaren met de zaak bemoeien. Stempels en handtekeningen moesten er komen, kortom, de wieken kwamen op toeren en wij mochten Don Quichotte gaan spelen. En daarna zou dat spel zich in ons woonland Duitsland herhalen.

Vorig jaar was de moeder vanwege de fles al eens uit de ouderlijke macht gezet. Hemel en aarde had ze daarna bewogen om haar kind terug te krijgen. „Ik ben van de drank af. Alsjeblieft, alsjeblieft, geef hem me terug.” Eigenlijk tegen beter weten in lieten Jeugdzorg en de rechter zich in november overreden. Rechters hebben de neiging om bestaande gezinsrelaties in stand te houden.

In maart was het weer mis. Na nieuwe scènes van dronkenschap op het schoolplein, waarbij de moeder haar zoon zelfs kwijtraakte, bracht de politie het kind naar een kindertehuis. Daar haalde zijn oudste tante hem op.

In mei haastte mijn eega, de middelste van de drie zussen, zich naar Moskou, want de moeder van Tim zat in een afkickkliniek buiten de stad en hun 88-jarige moeder, nu alleen thuis, dreigde kopje onder te gaan. Zij heeft zorg nodig. „Alarm”, zei mijn eega aan de telefoon zodra ze in Moskou was. Ze vertelde van de dreiging van het weeshuis.

Onmiddellijk zocht ik contact met Jeugdzorg in ons woonland Duitsland. „Hoe pak ik de voogdij hier in Duitsland aan?”, vroeg ik per mail. Er opende zich een labyrint gevuld met gidsen die zonder uitzondering wegwijzers verkeerd zetten. Mij wachtte een dwaaltocht door de krochten van de Duitse bureaucratie, met een bonte verzameling kastjes en muren als voornaamste instrument van zich sociaal noemende werkers met een in eelthopen verzande ziel.

Intussen was Rusland zelf geen gelopen race. De rechter kon opnieuw besluiten om de bestaande gezinsrelatie te continueren. Die kans was gering, maar bestond, nu de moeder weer thuis was en de drank liet staan, zij het dankzij een maandelijkse vivitrolinjectie.

„Mama”, zei Tim op een dag, „kan ik je even apart spreken?”

„Natuurlijk.” De verheugde moeder nam het kind mee naar de slaapkamer van het tweekamerflatje.

„Mama, zou je je alsjeblieft niet tegen de voogdij van mijn tante willen verzetten, want daarmee torpedeer je mijn toekomst.”

De jongen papegaaide keurig de tekst die hem was ingefluisterd door zijn oudste tante, die gekweld werd door donkere visioenen over haar zuster die, hersteld in de ouderlijke macht, opnieuw aan de drank zou raken, terwijl de middelste tante inmiddels alweer thuis in Duitsland zou zitten en zij dan zelf opnieuw voogd moest worden. Wat ze niet aankon, dus dan zou het kind alsnog in een weeshuis belanden.

De moeder vermande zich. „Als jij dat zo wilt, dan is dat wat ik doe.” Ze stormde het huis uit en zwierf die avond over de straten van Moskou. Zonder vivitrol had ze de fles gepakt.

De rechter zette de moeder in augustus uit de ouderlijke macht. Jeugdzorg stelde mijn eega aan als voogd. Maar het kind mocht nog niet mee naar Duitsland, want eerst moest onze woning geschikt zijn bevonden. De  Moskouse instantie kon de inspectie niet zelf uitvoeren, dus riep zij de hulp in van haar Duitse evenknie.

En dat zouden we weten.

Deel 1  | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4Deel 5 |  Deel 6 |  Deel 7 | Deutsch

_______________________

Reageren kan hier.

Maar ik niet…

Wel dus, ik ben sterfelijk.

Het is niet dat ik een lage pet op heb van mijn intellectuele mogelijkheden ónder die pet, maar een beetje onnozel ben ik wel. Ik dacht over oud worden namelijk ‘dat komt later wel’. Dat klopt natuurlijk, per definitie. Tot zóver had ik dat heel goed gezien.

Maar eerlijk gezegd dacht ik diep in mijn hart dat van dit uitstel ook afstel zou komen. Of dan tenminste: afstel van bijbehorend ongemak zoals slijtage en afnemende krachten. En van doodgaan natuurlijk, maar dit terzijde.

Doodgaan kende ik van horen zeggen. Dat gaan anderen, maar ik niet. Je moet je jeugdige conditie gewoon bijhouden en trainen en die neem je dan mee met je opklimmende leeftijd. Die wordt zo alleen getalsmatig indrukwekkend hoog, maar daar hoef je echt verder niks van te merken. Dacht ik.

En dat je als je jong bent ook weet dat je gezond moet leven om gezond oud te worden, nou, ik zal nogmaals eerlijk zijn: gezond leven kan altíjd nog, dacht ik ook daarbij. En zo stopte ik vrij laat met roken en ga ik pas sinds een paar jaar verstandig om met mijn liefste vijand – Koning Alcohol.

Mijn grootste zwaktes blijken bewegen en stressmanagement.

Ik bakte er eigenlijk niks van.

Het lijkt wel wat, hoor, maar nu weet ik dat er achter die faςade van zelfbeheersing, binnenin mij een lichaam reageert door langzaam het aderwerk te laten dichtslibben. Dat maak ik tenminste op uit de kennis van hunnie van de hartwetenschappen, waar ik een paar maanden geleden terecht kwam.

Wat nu? Bewegen. Als je maar veel beweegt, heb je minder piekertijd. En bewegen schijnt verder ook goed te zijn, want dan kan het lichaam de artsen wat werk uit handen nemen: natuurlijke omleidingen maken voor verstopte aderen.

Die laatste kennis geeft mij vleugels bij het trainen, want ‘spinning’ oftewel nergens naar toe fietsen, vond ik tot nu toe oersaai.

Zo langzamerhand, na kunstmatige hulp in de vorm van twee dunne tunnelbuisjes in de cityring van mijn hart-, kan ik het weer zelf: vitaal vooruit komen. Een beetje van het ziekenhuis en een beetje van mezelf. En die stress? Voor mij helpt meditatie, wat niet zo zweverig is als het klinkt.

En ach, weet je: alles in het leven wordt betrekkelijk als je je lichaam ervaren hebt als een auto met vier lekke banden die je in je eentje de berg op moest duwen omdat de brandstof op was.

En die dood komt ook wel een keer. Maar nu nog niet.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

Hal

Samen met Lief L. loop ik door de grote hal van het ziekenhuis naar buiten.
De ruimte lijkt gezelliger dan de vorige keren dat ik hier liep en ik vraag me af of dat door mijn opgeluchte gemoed komt.

Een eerder beeld van de hal – nu bijna twee maanden geleden – staat mij nog helder voor ogen: angstwekkend groot en akelig leeg.
Buiten sneeuwt het overtuigend, alles onherkenbaar wit. Een klein sneeuwschuivertje met grote koplampen lijkt met een hopeloze taak bezig.

Tien over drie is het, 03.10 uur wel te verstaan, het is inmiddels zondag.
De buren hadden gezegd dat we in nood ook ’s nachts mochten bellen, maar dit vind ik geen nood. Er bestaan immers taxi’s.

Alleen niet hier en niet nu.
Een taxi regelen onder bijzondere omstandigheden laat ik normaal gesproken vol vertrouwen over aan mijn kordate L., maar die heb ik nou toevallig zojuist achtergelaten aan een druppelinfuus met vocht en twee soorten antibiotica en twee zuurstofslangetjes in de neus, dus dat gaat even niet.

Vijf uur daarvoor had de buurman ons naar de eerste hulp gereden.
Onderweg had ik me schuldig gevoeld tegenover L., die gewoon thuis wou blijven.
Als je ziek bent, lig je per slot van rekening graag in je eigen bed.
En als je héél ziek bent, lig je héél graag in je eigen bed.
En op je allerziekst heb je daarover niks meer te vertellen, dus had ik de dokterspost weer gebeld.

„Nou gaan we alleen maar naar de eerste hulp omdat ik het met jou niet aandurf.”
Daar dachten ze in het ziekenhuis anders over – „Nee, u bent niet voor niks gekomen” – want ze vonden een heleboel goede redenen om mijn lief daar voor onbepaalde tijd vast te houden, op bovengenoemde wijze geborgd en gezekerd.

Een taxi dus. Met trillende handen zoek ik het papiertje dat ik thuis op het laatste moment in mijn tas had gestopt.
„De wachttijd is op dit moment vijf kwartier, mevrouw, het spijt me.”
Ruimhartig geeft de centralist me het nummer van een concullega. Die heeft een nog langere wachttijd.
Terug naar taxi 1, die ik in lijdzaamheid ga zitten afwachten.
Terwijl ik als tijdverdrijf deze column in mijn hoofd begin te schrijven, zie ik na tien minuten een ander levend wezen door de ruimte op mij af komen, iemand van de beveiliging.
„Uw taxi staat bij de eerste hulp, maar hij komt nu naar u toe.”
Ik denk dat ik droom, maar de wonderen zijn de wereld dus nog niet uit.

„Sorry, ik had me vergist, u had inderdaad gezegd hoofdingang.”
En als ik blijk geef van mijn verbazing over de kortere wachttijd: „Ik heb aangebeld bij de vorige klant, maar die was er niet.”

We laten de lege hal nog leger achter en langzaam rijden we naar mijn bed thuis, achter stappers die de uitdaging ‘sneeuw-alcohol-fiets’ zijn aangegaan.
Thuis geef ik de plantjes water en dat vind ik zelf ook raar.

Vijf dagen lang werd de grote hal na ieder bezoekuur wat minder angstaanjagend.
En vanaf vandaag heeft het ziekenhuis weer een leuke hal.
Want L. is genezen verklaard.
En buiten is het lente.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.