Hal

Samen met Lief L. loop ik door de grote hal van het ziekenhuis naar buiten.
De ruimte lijkt gezelliger dan de vorige keren dat ik hier liep en ik vraag me af of dat door mijn opgeluchte gemoed komt.

Een eerder beeld van de hal – nu bijna twee maanden geleden – staat mij nog helder voor ogen: angstwekkend groot en akelig leeg.
Buiten sneeuwt het overtuigend, alles onherkenbaar wit. Een klein sneeuwschuivertje met grote koplampen lijkt met een hopeloze taak bezig.

Tien over drie is het, 03.10 uur wel te verstaan, het is inmiddels zondag.
De buren hadden gezegd dat we in nood ook ’s nachts mochten bellen, maar dit vind ik geen nood. Er bestaan immers taxi’s.

Alleen niet hier en niet nu.
Een taxi regelen onder bijzondere omstandigheden laat ik normaal gesproken vol vertrouwen over aan mijn kordate L., maar die heb ik nou toevallig zojuist achtergelaten aan een druppelinfuus met vocht en twee soorten antibiotica en twee zuurstofslangetjes in de neus, dus dat gaat even niet.

Vijf uur daarvoor had de buurman ons naar de eerste hulp gereden.
Onderweg had ik me schuldig gevoeld tegenover L., die gewoon thuis wou blijven.
Als je ziek bent, lig je per slot van rekening graag in je eigen bed.
En als je héél ziek bent, lig je héél graag in je eigen bed.
En op je allerziekst heb je daarover niks meer te vertellen, dus had ik de dokterspost weer gebeld.

„Nou gaan we alleen maar naar de eerste hulp omdat ik het met jou niet aandurf.”
Daar dachten ze in het ziekenhuis anders over – „Nee, u bent niet voor niks gekomen” – want ze vonden een heleboel goede redenen om mijn lief daar voor onbepaalde tijd vast te houden, op bovengenoemde wijze geborgd en gezekerd.

Een taxi dus. Met trillende handen zoek ik het papiertje dat ik thuis op het laatste moment in mijn tas had gestopt.
„De wachttijd is op dit moment vijf kwartier, mevrouw, het spijt me.”
Ruimhartig geeft de centralist me het nummer van een concullega. Die heeft een nog langere wachttijd.
Terug naar taxi 1, die ik in lijdzaamheid ga zitten afwachten.
Terwijl ik als tijdverdrijf deze column in mijn hoofd begin te schrijven, zie ik na tien minuten een ander levend wezen door de ruimte op mij af komen, iemand van de beveiliging.
„Uw taxi staat bij de eerste hulp, maar hij komt nu naar u toe.”
Ik denk dat ik droom, maar de wonderen zijn de wereld dus nog niet uit.

„Sorry, ik had me vergist, u had inderdaad gezegd hoofdingang.”
En als ik blijk geef van mijn verbazing over de kortere wachttijd: „Ik heb aangebeld bij de vorige klant, maar die was er niet.”

We laten de lege hal nog leger achter en langzaam rijden we naar mijn bed thuis, achter stappers die de uitdaging ‘sneeuw-alcohol-fiets’ zijn aangegaan.
Thuis geef ik de plantjes water en dat vind ik zelf ook raar.

Vijf dagen lang werd de grote hal na ieder bezoekuur wat minder angstaanjagend.
En vanaf vandaag heeft het ziekenhuis weer een leuke hal.
Want L. is genezen verklaard.
En buiten is het lente.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

Een gedachte over “Hal

  1. Hij was al even ‘in the making’ denk ik, Maaike (leid ik af uit de sneeuw). Maar alsnog: voorspoedig herstel samen.

Reacties zijn gesloten.