Voetbalvrouwen 2.0

‘Show, don’t tell’ is een bekende schrijfregel. Dus dan zou ik hier nou van alles moeten schrijven, waaruit U dan gaat opmaken ‘goh, zou ze een vrouwenvoetbalfan zijn?’

Nou, dat kan dan korter: ja, ze is.

Ik vind voetbal sowieso wel leuk, maar ik had nooit geduld. Al die kwalificatiewedstrijden en voorrondes bezorgden mij een plaatsvervangende moedeloosheid (‘we moeten nog zo veel’), die de spelers nota bene zelf niet eens hebben.

Maar er is bij mij in de afgelopen twee jaar iets veranderd: voor vrouwenvoetbal heb ik wél geduld. En ik kan ook tegen hun verlies. Makkelijk praten natuurlijk, dat laatste, want deze Oranjeleeuwinnen verliezen niets, ze hebben twaalf interlands achter elkaar gewonnen. Maar ik denk dus dat ik ze ook bij verlies trouw zal blijven volgen.

Dat blijf ik nu per slot van rekening ook doen bij belabberde voetbalmomenten en verre van goede wedstrijden. Er zijn daar voldoende van om dat te kunnen bewijzen.

Ik ben dan wel Oranjefan, maar ik word net zo enthousiast van het voetbal van Japan, de VS, Engeland en van de keeper van Chili, die gewoon een wonder van alertheid is.

Het zit hem hierin: het rolmodel. Dan denken we natuurlijk aan hoe een succesvol Oranje een voorbeeld is voor karnemelk drinkende meisjes die boterhammen met pindakaas eten en door weer en wind naar de training fietsen waar ze in de slagregen een stevig balletje trappen tussen grote jongens die verbijsterd kijken hoe zo’n dribbelende kleine opdonder de bal gewoon afpakt en niet gaat huilen als ze een schop of een duw krijgt.

Nou, denk voortaan ook maar aan mij: ik ga niet op voetballen, maar Oranje is voor een vrouw op leeftijd óók inspirerend. Om daar elf leuke gedreven stoere wijven het snot voor de ogen te zien voetballen geeft mij een verademend vrouwbeeld.

Niks ten nadele van de originele ‘Voetbalvrouwen’ hoor, maar zelf voetballende vrouwen vind ik veel leuker dan die fraai verzorgde trofeeën van voetballende mannen. (Zouden de mannelijke partners van de Oranjeleeuwinnen Voetbalmannen heten? En de vrouwelijke partners dan weer Voetbalvrouwen?)

Vergelijkingen maken met mannenvoetbal – ik deed het nou zelf ook even – is aan de orde van de dag. Vrouwenvoetbal is voor sommigen niet om aan te zien: te langzaam, te rommelig, te weinig techniek. Dat zal allemaal best, maar het leuke is dat je dat ook gewoon kan zeggen, zonder dat er op lange tenen wordt gestaan. Ze zeggen het zelf al, als het niet goed gaat. ‘Sorry dat de eerste helft er niet zo goed uitzag, maar nu hadden we nog wel energie voor de tweede. En we hebben gewonnen’, was het nuchtere commentaar van eentje.

Wat ook leuk is dat bij dit elftal coach én spelers gelijkwaardig met de pers praten, waarbij het geloofwaardig overkomt als ze er de nadruk op leggen dat het een teamprestatie is, ondanks hun individuele succes.

Gezonde ego’s in een gezond team, met een gezonde coach die in een blessurepauze vlak voor het eind van de verlenging gewoon gaat plassen omdat ze heel nodig moet na al dat watergedrink in die bloedhitte.

Is dat bij mannenvoetbal zo anders dan? Ze kunnen langer hun plas ophouden, dat wel. Ik weet het verder niet, maar waarom valt voetbalplezier m/v me dan nu pas op? Alleen omdat daar mensen met een vergelijkbaar lijf als het mijne lopen?

Ik ben niet van het omgekeerde minderwaardigheidscomplex: ‘vrouwen zijn beter’. Vrouwenvoetbal is nu nog gewoon anders. Het moet nog wat meer in de genen komen door een serieuze competitie (zoals in Engeland, Frankrijk en de VS) en ik verwacht dat ze beter gaan voetballen en de achterstand op mannen zullen inhalen.

Hoe het er in Japan of waar dan ook aan toe gaat, weet ik niet, maar ik hoop dat in ieder geval Oranje zo opgewekt en nuchter zal blijven als nu: ook als ze de finale van het WK niet winnen, hun teamgeest en vechtlust zijn goud waard.

Houwen zo.

 

Punt

Het duurt bij de reacties op bepaalde politici nooit lang, of daar komen dan toch de ‘maar-hij-heeft-wel-een-punt-poppetjes’.

Dat was zo bij Pim Fortuyn, daarna bij Geert Wilders en nu dus bij Thierry Baudet.

Nou lijkt het me erg moeilijk om geen punt te hebben.

Met een beetje moeite – of zelfs zonder dat – valt er in deze verre van volmaakte samenleving altijd wel wat te vinden dat gezegd kan of moet worden.

Daar blijft het meestal dan bij, is mijn ervaring. Heel soms komen er nog wat punten bij een punt, onder luid applaus van de volgelingen die dan zeggen dat HIJ tenminste zegt wat hij denkt. Of dat hij zegt wat je in Nederland niet mag zeggen. En het woordje taboe komt dan ook al gauw voorbij, die stoplap van de luie denker.

Baudet is heel speciaal.

Want hij is intellectueel en schrijft boeken en essays.

‘Joh, daar moet je wat mee doen’, zei iemand en toen ging hij in de politiek.

Het kan ook dat hij zelf zin had in iets opwindends naast al dat gedenk.

Feit is dat we nu zitten met een vragen-geen-vragen-partijleider, met volgelingen die eruit vliegen als ze wel vragen hebben en kiezers die vinden dat hij het allemaal heel goed zegt en dat nog steeds vinden als ze thuis hebben opgezocht wat het eigenlijk betekent wat hij zegt. Voor het geval u mij nou denigrerend over anderen vindt: ik moest boreale wereld óók opzoeken.

Ik stel natuurlijk weer veel te hoge eisen, maar wat heb ik aan Baudet en het Forum voor Democratie? En wat heeft Nederland eraan?

Laat ik voor mezelf spreken: ik kan er niks mee.

Maar het negeren van een kokette praatjesmaker – wat ik doorgaans doe – is in dit geval geen optie.

Hij mag flirten met wie hij wil, maar sommige vriendjes vind ik eng, vandaar. En zijn heimwee naar vroeger ook, eigenlijk. Bevlogen spreken over een toekomst die in het verleden ligt, gaat altijd gepaard met het terugdraaien van verworvenheden van anderen: Witte Man Baudet gaat niet inleveren, denk ik.

Dat is dan mijn punt.

Water

Misschien is het een teken dat het niet zo goed met me gaat, maar de laatste tijd zie ik mijn land af en toe met de ogen van een buitenstaander.
Dissociatie of zo, klinkt ernstig maar het bevalt uitstekend, kan niet anders zeggen.

Doorgaans zit ik binnen tegen een beeldscherm aangezogen. Dat biedt een venster op de buitenwereld. Zeggen ze. Maar volgens mij is het gewoon een echt scherm: ik zie de buitenlucht -met daaronder allemaal leuke dingen- niet.

Als ik zo aan het lezen ben (ook in de papieren krant, trouwens) ziet Nederland er voor mijn geestesoog ongeveer als volgt uit: asfalt en rails waar ernstige mensen overheen racen om te werken. En baksteen, waar ze werken en slapen en internetten.

En heel soms een klein beetje leven en liefhebben.

De rest van de wereld is voor mijn geestesoog heel groot en bepaald niet op orde en bijna iedereen maakt ruzie over geld en macht en land.

De aarde warmt op en daarover maken ze dan ook nog ruzie. Dat dus.

Maar af en toe ga ik naar de echte buitenwereld. Zaterdag voer ik op een klipper op het Markermeer. Want hé, was ik toch helemaal vergeten dat er ook nog water was in Nederland!

Als ik door zo’n historisch stadje aan het water naar de boot loop, zie en proef en ruik ik vakmanschap en inventiviteit. En ik ervaar een zekere trots, al weet ik niet of het de mijne is of de originele, uitgestraald door de eeuwenoude spullen van de trotse mensen die dit lang geleden gemaakt hebben: bootjes, dijken, ophaalbruggen, knusse huisjes, stoere forten en kastelen. Ik ben trots op mijn Hollandse waterland.

En dan dat water zelf. Het hangt er natuurlijk wel van af met wie je vaart (dat was in orde: lieve mensen), maar op het water word ik rustig en krijg ik gewoon een ruimere blik op de wereld. Je kan natuurlijk zuchten dat je nergens meer kunt kijken zonder horizonvervuiling, maar daar ben ik niet van.

Waarom mag je aan de verre rand van de natuur niet zien wat mensen gemaakt hebben?

Dit is een saaie column aan het worden. Want het was ook nog heerlijk weer. Het oer-Hollandse niet-te-koud-niet-te-warm-zonnetje-wolkje-windje-weer. En – het moet niet gekker worden – heel normaal voor de maand van het jaar hier.

Er verandert veel, maar er blijft nog lekker best veel hetzelfde. Er gaat nogal wat mis, maar niet alles. Er is werk aan de winkel, maar uitrusten kan geen kwaad, kan je weer beter werken. Ik was het met mijn troebele geestesoog bijna vergeten.

 

 

 

 

 

 

 

Paniek

Paniek

Arnon Grunberg heeft in de VPRO-gids een column waarin hij een onderwerp bespreekt in enkele punten.
Dat heeft voordelen.

  1. Het zijn losse gedachten, maar niet zo los dat het chaotisch wordt, het onderwerp is de leidraad.
  2. Er ontstaat ruimte. Een kop en een staart met ertussenin een betoog is mooi, maar kan een beklemming zijn voor het denken van de schrijver en niet te vergeten van de meedenkende lezer.
  3. Sommige onderwerpen, misschien wel de meeste, liggen gevoelig en maken zo veel emoties los, dat een rijtje losse gedachten erover verkoeling kan brengen.
  4. Het is een goed idee, dus ik jat het graag.

Over paniek

  1. Angst is noodzakelijk om niet al te snel dood te gaan. Men moet de dood achten, niet verachten. Staat ware doodsverachting hoog of laag aangeschreven? Paniek, de ultieme angst, kan in ieder geval niet op bewondering rekenen, hooguit op mededogen.
  2. De uitspraak ‘er is geen reden tot paniek’ is bedoeld om gerust te stellen. Het is de vraag of deze uitspraak het beoogde effect heeft.
  3. Paniek kun je associëren met snelheid. Zou er langzame paniek bestaan? De aanloop ernaartoe is dan lang en de toestand duurt enige tijd. Oftewel, bestaat chronische paniek? Of is dat wat men verstaat onder een angststoornis?
  4. Paniek in de nacht is een apart geval, want overdag zien mensen zelf wel reden tot zorgelijkheid, maar geen reden tot paniek.
  5. De indeling links-rechts in de politiek vind ik doorgaans achterhaald en onpraktisch, maar het onderscheid is nu toch even interessant. Want welke stroming is vatbaarder voor paniek: links, rechts of allebei? En wie stelt dan de diagnose?
  6. Daadkrachtig optreden kan paniek van een ander beëindigen. Soms moet een drenkeling in het belang van zichzelf en vooral van zijn redder eerst geslagen worden, voor je hem kunt redden.
  7. Een daadkrachtige leider is ook op macroniveau door sommigen wel eens gewenst, al is die gedachte voor veel anderen juist weer een reden tot paniek.
  8. Voor de lieve vrede en ook voor de minder lieve vrede is het goed om de eigen paniek te onderkennen en die van de ander aan te zien met evenveel mededogen -al kan niet iedereen zelfmededogen opbrengen.

Tot zover over paniek.

 

Plantenspuit

Twee schokken deze week.

Eerlijk, het was voor mij toch wel een verrassing dat Thierry De Stem van Nederland had gewonnen. Met dank aan de publieksjury. Hoe die precies is samengesteld weet ik niet, maar ze hebben wel erg op uiterlijk vertoon gelet en hem onnoemelijk veel valse noten vergeven.

Wat verder in zijn voordeel werkte was de andere schok, de moordpartij in een Utrechtse tram. Je zou zeggen: daar wil toch niemand zijn voordeel mee doen, maar hé, winnen is niet voor watjes hè?

Dus toen de andere kandidaten volgens afspraak uit respect even niet repeteerden voor de finale, kon Thierry uithalen met zijn tranentrekker ‘Zwaar getij! Kom bij mij!’. En zo geschiedde.

Er zijn zoals altijd weer mensen die de reacties van politici, politie en overheid op zo’n gebeurtenis als in Utrecht overdreven vinden. Maar na een brandmelding stuur je toch ook niet eerst iemand op de brommer met een plantenspuit, omdat je geen paniek wil zaaien en het eerst even aan wil zien?

Waarschuwen voor een gewapende dader op de vlucht? Ik benader mijn medemens doorgaans onbevangen, maar er zijn grenzen en dan blijf ik graag even binnen. Bovendien: met moordpartijen als in Parijs en onlangs Christchurch nog vers in het geheugen vind ik het niet hysterisch om bedacht te zijn op meerdere daders en aanslagen.

De zichzelf één dag bezinnende Correspondent deed het ook weer niet goed. De redactie viel de hoon van Twitter en enkele van zijn eigen leden ten deel. Die leden zijn trouwens sowieso vreemde kostgangers: op De Correspondent bewust een gezonde maaltijd tegen de waan van de dag kiezen en tegelijk een vette bek op Twitter halen, het Walhalla van de waan.

Maar goed, de reacties op de winst van Thierry? Ik persoonlijk zie het even aan. Met de plantenspuit dus. Vijftig jaar geleden hoorde ik een tip van vrouwelijke toeristen in Italië. Zij hadden dat attribuut bij zich om opdringerige Thierry-achtigen te laten afdruipen met een verdachte plek op de macho broek.

Daar maar eens mee beginnen.

Klimaatmars

Afgelopen zondag was onze trouwdag.

Ik besloot – zoals aangekondigd – de Klimaatmars te lopen en Levensgezel L. besloot iets leuks te gaan doen met onze kleinzoon van twaalf. De reden voor mij was om nou eens uit mijn linkse lethargische loomheid te herrijzen. Valt niet mee nu ik ouder word en er was bovendien zeldzaam rotweer voorspeld.

Maar de meest op de bank terugdrukkende tegenwind was toch wel de zin over de zin: heeft demonstreren zin?

De anti-ideologische no-nonsensepolitiek vanaf de jaren tachtig heeft ervoor gezorgd dat voorloper Nederland op milieugebied gelijke pas ging houden met het buitenland. Of te wel dat Nederland de pas zó inhield dat we nu zelfs achterlopen, om het maar eens even no-nonsense te formuleren. Terwijl het consumentisme zich wél doorontwikkelde.

Bij de bestudering van onderzoeks-publicaties van 29.000 wetenschappers bleek in 97,1 procent daarvan aangetoond dat de consumerende mens een grote rol speelt in de opwarming van de aarde.

Die aarde draait wel door.

Maar nu er een verband wordt gelegd tussen consumptie (leuk voor de mensen) en klimaatverandering (niet zo leuk voor de mensen) hebben we de poppetjes aan het dansen in een toch ook wel weer vermakelijk stukje theater.

Komen eerst op: de ha-ha-niks-aan-de-hand-milieu-is-een-linkse-hobby-poppetjes. Zo eentje is nu ergens president en ik ben blij dat ik daar niet woon.

Entree de mij-wordt-nooit-iets-gevraagd-en-ik-ben-ook-een-wetenschapper-poppetjes die zich kennelijk gepasseerd voelen bij bovengenoemd onderzoek. Zo eentje zit nu in de Tweede Kamer het door hem zo geminachte partijkartel te doorbreken. Met een nieuwe partij. Geheel cultureel verantwoord bespeelt hij op zijn werkkamer aldaar de vleugel en roept hij af en toe iets in het Latijn. En dat het niet waar is, van die 97,1 procent.

Dan komen op: de paniek-poppetjes met de wervende leuze ‘het-is-eigenlijk-al-te-laat!’

Zo eentje schrijft boeken met titels als ‘Dit kan niet waar zijn’. Een prima boek over de wantoestanden in de financiële wereld overigens, maar de titel geeft al aan dat de schrijver een paniekvogel is, ook als hij schrijft over het klimaat.

Tussen iedereen door op het podium lopen de vingerwijzer-poppetjes. Die komen op van twee tegenovergestelde kanten. Enerzijds de ha-ha-niks-aan-de-hand-poppetjes omdat het zo leuk is te zeiken over inconsequent gedrag (hypocrisie genoemd) bij wereldverbeteraars, anderzijds de strenge exemplaren van diezelfde wereldverbeteraars. Als ouderlingen van een kerk lopen ze iedereen hardop hun zonden in te peperen.

Nou en dan loop ik daar ook nog een beetje het straatpodium op te gaan met een paar anderen: de-alles-goed-en-wel-maar-nu-ga-ik-iets-doen-poppetjes.

En wie kom je dan tegen in Amsterdam? Je kleinzoon van twaalf die zijn moeder en opa had meegenomen.

Gewoon-een-hartstikke-lief-poppetje.

Liefde in tijden van opwarming

„Wat zijn je beweegredenen?”, is een van de leukste vragen om te stellen en te beantwoorden. Mijn ervaring is dat het onder woorden brengen van gevoelens daarbij geen uitzondering is.

Als amateur-emotieonderzoeker (inclusief die van mijzelf) ben ik altijd weer getroffen door het verschijnsel dat sommige mensen in een publiek debat hun onderliggende emoties niet lijken te herkennen.

Wat ze zelf inbrengen noemen ze de ratio, de nuchtere redelijkheid en de beweegredenen van een ander zijn gebaseerd op gevoel. En dus fout.

Ik geloof daar niks van, van die ratio. Ze trekken gewoon over hun emoties heen een dikke trui met opdruk (ratio) aan. En het is eigenlijk gewoon een doorkijkblouse: je ziet alles, maar dat mag je niet zeggen.

Neem nou bijvoorbeeld een debatje dat ik had over het klimaat en de ecologische voetafdruk van nieuwe generaties. Ik zou zeggen: blijven werken aan vermindering van die voetafdruk. Maar er blijken radicalere oplossingen te zijn: helemaal geen kinderen meer. Of hooguit eentje.

Ene Sarah Conly wordt aangehaald met haar boek One Child, Do We Have A Right To More? Gek, maar bij zinnen met ‘we’ ben ik altijd gelijk wakker, zeker als er een vraagteken achter staat. Want Sarah gaat natuurlijk zelf het antwoord geven dat we (lees: ik en anderen) moeten hebben: nee.

Ze vindt voortplanting niet langer een privézaak en ze snapt dat er dan natuurlijk stront aan de knikker gaat komen. Iets suffigs met autonomie en mensenrechten of zo.

Geen nood: ze stelt voor dat in sommige gevallen geboortecontrole van regeringswege tóch aanvaardbaar is.

Nou, daar wou ik het – China in het achterhoofd – op dat forum natuurlijk wel even over hebben met haar fans, temeer daar het geboortecijfer – zonder rigoureuze ingrepen van overheidswege – al jaren langzaam terugloopt.

Geen schijn van kans. Die fans hebben het te druk met het diskwalificeren van medemensen die zich wél voortplanten: ‘Fokken als konijnen op basis van oergevoel en klapperende eierstokken, uit puur egoïsme’, kort samengevat.

Ga maar even zitten, ja.

Waarom heb ik eigenlijk kinderen? Omdat ik ze wilde. En omdat het gelukkig ook lukte ze te concipiëren, te dragen en te baren. Moet ook allemaal maar goed gaan.

Waarom wilde ik het? Uit levenslust en liefde. En ik dacht dat het me wel zou lukken allemaal, met grootbrengen en zo.

Tellen die gevoelens? Voor mij wel. Die zijn trouwens ook de reden dat ik op de Dam ben, 10 maart, bij de Klimaatmars. Uit gevoelens van liefde voor het leven, de aarde en de volgende generaties.

Redelijk, toch?

Echt slecht

Intelligentie erft het kind van zijn moeder, niet van zijn vader. Die boude conclusie zag ik deze week op mijn computerscherm voorbijkomen. Meteen sloeg ik aan het googelen. Op allerlei websites trof ik oudere berichten aan waarin precies dezelfde bewering stond. Het X-chromosoom bepaalt je intelligentie en dat stukje DNA krijg je van je moeder, dus daar heb je het maar mee te doen.

In een wereld waarin menige Diederik stapeltje op stapeltje stapelt, kan een poging tot popperiaanse falsificatie geen kwaad. Wat blijkt? De berichten zijn terug te voeren op een blog dat jaren geleden verscheen op de website Psychology Spot. Van de genetische conclusie in het blog maakt de wetenschappelijke journaliste Emily Willingham gehakt op de website van Forbes: bij elkaar geraapte onzin op grond van een gammel experiment met muizen. Willingham wijst erop dat er door de ouders veel meer wordt overgedragen dan dat enkele X-chromosoom, voorts dat bij de verschillende chromosomen ook nog uitwisseling plaatsvindt en dat intelligentie van veel meer biologische factoren afhangt. Tot zover ‘nature’. ‘Nurture’ doet vervolgens ook nog een duit in het zakje.

Mijn eigen twijfel stoelde op een simpele waarneming. Mijn moeder moest naar de huishoudschool omdat ze niet goed kon leren – voor de rest van haar leven een bron van frustratie – terwijl mijn vader, met zelf alleen lagere school, buurjongens bijles gaf en vreemde talen sprak. Mijn moeder zong ‘Que Sera Sera’ op een melodie die pas over enkele generaties zal worden begrepen, mijn vader was een ster op de chromatische mondharmonica en speelde klassiek gitaar. Zelf ging ik naar het gymnasium en ik werd beroepsmuzikant, hetgeen mij deed vermoeden dat ik cerebraal vooral aan mijn vader schatplichtig was. Mijn pa en ik deelden bovendien een zeker gevoel voor humor. Nu kan mijn moeder natuurlijk doorgeefluik zijn geweest van talenten van haar voorouders, maar dat doet niets af aan mijn twijfel aan de erfelijkheidshypothese hierboven.

We kennen ze wel, vreemde onderzoeksresultaten, zoals het bewijs dat vleesliefhebbers asocialer en egoïstischer zijn dan vegetariërs. Ronduit bedrog en nog wel op universitair niveau, waar zelfs hoogleraren instonken.

Raadselachtig. Wat vooral verbaast, is de discrepantie tussen werkelijke medische prestaties en slagen in de ruimte. AIDS hoeft geen doodvonnis meer te betekenen. De strijd tegen kanker laat grote vooruitgang zien. Richt je blik vervolgens op de psychiatrie en huiver. ‘ADHD’ op vijf plaatsen zichtbaar’, berichtte de Radboud Universiteit begin 2017. Totale onzin, aldus emeritus hoogleraar Trudy Dehue, want ADHD is een verzamelnaam voor verschillende stoornissen en geen ervan is zichtbaar in de hersenen. De DSM-5, handboek voor psychiaters, beschrijft onder meer schizofrenie. Onzin, vindt psychiater Jim van Os, want schizofrenie bestaat niet. Ook alweer een verzamelnaam voor verschillende aandoeningen. Depressie dan? ‘Die ziekte bestaat misschien wel niet’, schrijft huisarts Joost Zaat in de Volkskrant. Hij verbaast zich over de DSM, waarin te veel of te weinig slapen, aankomen of juist afvallen, opgewonden of juist teruggetrokken zijn staan genoemd als kenmerken van depressie. Kom je al met al uit op 5 punten, dan is sprake van een depressie. Zaat: ‘Hoe tel je slecht doorslapen op bij aankomen?’

Nog nooit heeft een arts mij naar mijn dieet gevraagd. Nooit heb ik van de dokter een eetadvies gekregen, terwijl ‘je bent wat je eet’. Lekenadviezen genoeg, zoals ‘de witte motor’ die later ‘de witte sloper’ werd, rode wijn die goed zou zijn voor de gezondheid – wie het gelooft, krijgt een olifant –, vetten en koolhydraten die nu eens goed, dan weer slecht zijn. Wie of wat kun je geloven?

Alles mag een beetje, denk ik dan maar, zolang het niet om zelf geplukte paddestoelen gaat. En weet je wat echt slecht is? Leven!

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Borreltaal

Aan het einde van de Komkommertijd van 2016 nam onze minister-president Rutte als VPRO-Zomergast de straattaal over van een stelletje opgefokte Erdogan-aanhangers.

‘Pleur zélf op’, zei hij.

Want zij hadden ‘pleur op’ in de camera geroepen en daarna werd verdere uitzending door hun toedoen onmogelijk gemaakt.

In mijn kringen was ik de enige, maar hij haalde me destijds met die straattaal de woorden uit de mond en zei er bovendien iets heel verstandigs achteraan over hun vrijheid van meningsuiting en onze vrijheid van pers en zo.

Onlangs bezigde hij op zijn wekelijkse mediamomentje wéér straattaal: hij ‘zou mensen die rond de jaarwisseling hulpverleners bedreigen het liefst persoonlijk in elkaar slaan.’

Maar hij zei er dit keer niets verstandigs achteraan. Want ‘maar dat kan niet’ valt voor mij niet onder goed doordachte argumenten. Evenmin de opmerking ‘dat we er als samenleving blijkbaar niet in slagen om kinderen en vrienden te zeggen dat dit niet kan’.

Als er nou iets is dat onmacht laat zien en eigen verantwoordelijkheid wegduwt, dan is het wel het gebruik van ‘we’.

‘Samenleving’ dan, ook zo’n wegpoetslap voor eigen falen. Als iets de schuld is van de samenleving, is het niemands schuld. Want dan wordt niemand verantwoordelijk gesteld. En die ligt er wel, Rutte: maak jij nou het werk van de politie eens makkelijker door een vuurwerkverbod te durven afdwingen. Maar ‘verbieden die hap’ is taal die onze MP niet snel zal bezigen, kost te veel kiezers.

Wat Rutte bovendien deed was mee willen vechten, óók geweld willen gebruiken. En dan gauw zeggen dat ‘dat niet kan’. Nou, Mark, het kan wel, maar het mag niet. Dat zeg ik als samenleving dan maar even tegen je, al ben ik je moeder niet en evenmin je vriend.

Een paar dagen later verraste de ooit zo vrolijke en nu zo chagrijnige MP weer, in Buitenhof deze keer. Geen straattaal nu, maar kiezers-wervende borreltaal over ‘de witte wijn sippende Amsterdamse elite, die alsmaar kritiek heeft op de Amerikaanse president Donald Trump.’

Ten eerste nip je witte wijn. En je kan er eventueel bij gaan sippen.

Dacht ik. Maar een oplettende lezer attendeerde mij op het feit dat sippen een synoniem is van nippen. Bargoens zelfs, plat Amsterdams zelfs, volgens Jean Pierre Geelen in de Volkskrant van 16 januari 2019.

Maar dat verband met critici van Donald Trump?

En natuurlijk wéér zo’n onmachtwoord gekozen: ‘alsmaar’.

‘Van wie heeft de single Rutte dat machteloze relatie-ruzie-stopwoordje in godsnaam overgenomen?’, schreef ik in eerste instantie.

En ja, dat is op de man spelen, zoals dezelfde oplettende lezer mij schreef. Dat is niet aardig, bovendien klopt het niet, want ‘alsmaar’ en ‘altijd’ en ‘nooit eens’ worden vaker gebruikt bij onmacht, en niet alleen in partnerrelaties.

Niettemin wordt het tijd dat Rutte stopt met sippen over zijn arme vrindje Donald en – na het wegklokken van een goed glas witte wijn – oppleurt.

Nog één keer een reden voor een weergaloos, laatste vuurwerk.

Uitgezet

De uitzetting van Ans Boersma, correspondente voor Het Financieele Dagblad, maakte herinneringen bij mij los. Zij werd Turkije uitgezet, ik moest ooit de Sovjet-Unie uit. Verder zijn de verschillen groot.

Mijn uitzetting verliep geniepiger. Met vrouw en twee kinderen woonde ik midden jaren tachtig in Moskou en mijn visum dankte ik aan mijn vertalersbaantje bij de uitgeverij Progress. Daar werkten veel buitenlanders die in ruil voor een visum, een woning en een habbekrats stichtelijke Sovjet-teksten vertaalden om in het buitenland zieltjes te winnen voor het communistische ideaal. Anders gezegd, in die flat in het zuidwesten van Moskou woonden wij met tientallen landverraders onder elkaar. Een gezellige boel.

„Denk je dat het een probleem is als ik in mijn vrije tijd stukjes voor een Nederlandse krant ga schrijven?”, vroeg ik aan mijn chef Jevgeni bij Progress. Hij zag geen probleem.

„Zal ik stukjes voor jullie gaan schrijven?”, vroeg ik aan Nederlandse kranten. „Ja graag”, antwoordden die kranten. Voordat ik op eigen houtje naar Moskou was vertrokken, hadden ze me allemaal afgewezen.

Ik kon kiezen tussen het AD en De Telegraaf. Dan maar de echte Telegraaf. Ik kreeg er ook een Belgische krant bij en verder radio.

Al spoedig kwam er bij Veronica Nieuwsradio een verontwaardigde brief binnen. ‘Die correspondent van jullie verspreidt leugens over de Sovjet-Unie’, stond erin, ‘ontsla die man. Als jullie wisten uit wat voor familie hij kwam, hadden jullie hem nooit genomen.’

De Russen konden onder Nederlanders rekenen op blinde vriendschap. Ook nu nog.

Wat waren die leugens? Ik schreef over zaken waarover de Russische pers zweeg. Over prostitutie bijvoorbeeld. Dames van plezier waren er in het arbeidersparadijs natuurlijk niet. Die had ik uit mijn duim gezogen. Dat er tekorten in de winkels waren, dat Russen gek werden van de bureaucratie en dat werken op de vrijwillige werkzaterdag helemaal niet vrijwillig was – allemaal gelogen.

Het eerste signaal dat er iets niet lekker zat, kreeg ik in de zomer van 1985, toen ik weer even met de nachttrein naar Nederland wilde om een nieuwe voorraad sambal, mayonaise en tomatenketchup in te slaan. Wij buitenlandse vertaalverraders hadden geen uitreisvisum. We moesten om te reizen bij de uitgeverij toestemming vragen aan de Pervyj Otdel, de Eerste Afdeling. KGB, dat wist iedereen. Opeens kreeg ik geen uitreisvisum meer, maar als ik met mijn gezin definitief wilde terugkeren naar Nederland, mocht dat wel, zeiden ze.

Ik belde mijn zwager in Nederland: „Stuur even een telex dat oma ziek is en dat ik meteen moet komen.” Prompt kreeg ik een uitreisvisum, dat dan weer wel. „Hoe oud is je oma?”, vroeg de chef van de Pervyj Otdel. „Ze is 92”, loog ik. Mijn oma was allang dood.

Ook wees de uitgeverij mijn verzoek af om als personeelslid deel te mogen nemen aan de 1-meiparade. Die zou alleen voor de eigen burgers bedoeld zijn. Onzin, natuurlijk. En ze wisten dat ik wist dat dat onzin was.

Mijn contract bij Progress werd in januari niet verlengd. We moesten terug naar Nederland. In februari verscheen er opeens een groot artikel in een Sovjetkrant: nepfiguur uitgezet. Dat was ik.

Zoals dat ging en gaat in Rusland, stond het bericht vol halve waarheden. In die jaren onderhielden de Sovjet-Unie en Israël geen diplomatieke betrekkingen. Russische Joden die wilden emigreren, moesten een visum aanvragen via de Nederlandse ambassade. Een Jood vroeg mij voor hem en zijn gezin een envelop af te leveren bij die ambassade, want hij kwam er niet doorheen. Dat deed ik. De Russische krant meldde dat ik aan Joden geld had gevraagd om hen te helpen. In het stuk stonden flarden van gesprekken die ik met mijn chef Jevgeni van Progress had gevoerd. Rara, hoe kan dat.

Ik was uitgezet, meldde de krant, omdat ik zonder accreditatie als journalist had gewerkt en daarmee internationale wet- en regelgeving grof had geschonden. Ook dat klopt niet. Wie legaal in een land verblijft, mag daarover schrijven. Je kunt als niet-geaccrediteerd journalist alleen geen gebruik maken van bepaalde voorzieningen, zoals speciale woonruimte. Of toegang tot officiële persconferenties.

Jaren later, toen ik weer persona grata was, heb ik in Moskou geprobeerd de schrijver van het stuk, Aleksandr Mozgovoj, te interviewen over de banden tussen journalisten en de KGB. Eerst zei hij ja, later belde hij af.

Perestrojka en glasnost, Gorbatsjovs politiek van hervorming en openheid, waren al begonnen. Welk belang hadden de Russen om mij uit te zetten?

Dat was er niet. Ik had alleen de pech dat op dat moment Anatoli Blatov ambassadeur in Nederland was. Hij was assistent van partijleider Brezjnev geweest en onder Gorbatsjov weggepromoveerd naar Den Haag. Blatov zat zich in Den Haag op te vreten over de onverlaat die al die vuile lasterpraat over zijn heilstaat in De Telegraaf spuide. Hij wilde me zijn land uit hebben en dat lukte. Een maand of wat later bombardeerde een Sovjetkrant mijn vertrek tot uitzetting. Drie jaar kreeg ik geen visum meer. Die slag was voor Blatov.

En toen kwamen Blatov en ik elkaar tegen. In mei 1987 trad Alla Poegatsjova, de populairste zangeres van de Sovjet-Unie, op in het Amsterdamse Carré. Ik tolkte voor haar op het toneel. In de zaal zaten Blatov en de rest van de Sovjet-ambassade. Na afloop kwam een Russische diplomaat mij de hand schudden. „Goed gedaan!”

Twee maanden later huurde het Amsterdamse Mickery Theater mij in als tolk. Een Russisch toneelgezelschap deed een aantal voorstellingen in Rotterdam. Op een dag sprak de reisleidster van het gezelschap – ‘KGB’, zeiden acteurs achter haar rug – mij aan. „Ik ben gisteravond gebeld door de ambassade en ze zeiden dat jij niet te vertrouwen bent en dat we jou moesten ontslaan. Ik antwoordde dat we je niet hadden aangenomen, dus ook niet konden ontslaan. Pas op, zei de ambassade toen, want hij is anti-Sovjetactivist.” Ik ging door met tolken. Die slag was voor mij.

Bij mijn ‘uitzetting’ had Nederland geen rol gespeeld. Hoe anders is dat bij Ans Boersma. Het Openbaar Ministerie (OM) vroeg de Turken wat zij over de ex-vriendin van een foute Syriër konden melden. „Dank je voor de informatie, Den Haag”, zeiden de Turken. Exit Boersma. Dat vriendje is al jaren ex, hij is niet veroordeeld, Boersma zelf is niet veroordeeld, maar voor de zekerheid heeft Het Financieele Dagblad de freelancer, op wier werk niets aan te merken viel, gedumpt.

Wereldvreemd, dat OM, als je niet snapt dat zo’n informatieverzoek in het Turkije van de paranoïde Erdogan gelijkstaat aan het stempel ‘terrorist’. En voor Het Financieele Dagblad staat ‘verdacht’ kennelijk gelijk aan ‘veroordeeld’. Als freelancer had ze nagelaten een lijstje van haar ex-vriendjes bij de krant in te leveren. Ja, dan vraag je erom.

Van je collega’s moet je het hebben.

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.