Tims lange weg naar Duitsland (3)

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3

De negenjarige Tim is zijn moeder kwijt aan koning alcohol en mag nog niet met zijn tante annex voogd naar Duitsland. Eerst moet jeugdzorg Moskou groen licht geven voor zijn emigratie. Daarvoor is een rapport van jeugdzorg Kleef nodig over de woonomstandigheden van ons, de pleegouders.

Waar hangt dat rapport uit? De Russische post is hoogst onbetrouwbaar, maar dat kon de Duitse jeugdzorg niks schelen. Mijn smeekbede om het stuk op mijn kosten per DHL te versturen kletterde op de rotsen.

Eerste hindernis: Deutsche Post meldt via zijn website track & trace in Rusland niet te kunnen bieden. Tweede hindernis: de Russische post herkent de Duitse track & trace-code niet. Puzzelen, puzzelen, puzzelen. Wat blijkt? Je moet van de barcode de laatste drie cijfers afslopen en dan lukt het. Lastig als je met die kennis niet geboren bent.

De brief is blijven steken in Sjarapovo, 41 kilometer buiten Moskou. Net als bij tennisster Maria Sjarapova ligt de klemtoon op de tweede a. Dit even als komisch intermezzo. Het poststuk ligt er al zeven dagen en er zit geen beweging in. Mijn eega belt de Russische post.

„O, dan ligt de brief bij de douane”, meldt een dame.
Mijn eega wil weten hoe we de zaak kunnen bespoedigen.
„Contact met de douane is niet mogelijk”, zegt de dame.
Hoe lang kan de douaneafhandeling duren?
„Voor de douane geldt een onbeperkte tijdslimiet.”

Via de mail krijg ik goede raad van vrienden: „Vraag de chef van het Jugendamt in Kleef om hulp.” En: „Schakel een advocaat in.”

Chef U. van het Jugendamt heeft het hart op de juiste plaats, getuige dit interview. Ik leg hem de situatie per mail uit en vraag om hulp: ‘Ik heb er natuurlijk begrip voor dat er regels en procedures zijn, maar ik zou u zeer erkentelijk zijn als u binnen de wettelijke mogelijkheden een manier zou kunnen vinden om het verslag zo snel mogelijk in Moskou te krijgen. Ik ben bereid de verzendkosten op me te nemen.’

Reactie van chef U., laatste hoop voor verweesde kindertjes: geen, niets, niente. Hij zwijgt.

Een advocaat inschakelen dan maar? ‘Komt u maar naar Keulen’, schrijft een advocaat voor familierecht. ‘Het eerste consult kost 230 euro.’
En wat gaat zijn hulp me in totaal kosten?
‘De ervaring leert dat u op 1500 tot 2000 euro uit zult komen.’

De een z’n nood is de ander z’n brood. Ik probeer het in Kleef. Ik vraag aan een advocaat of het zin heeft het Jugendamt via een jurist te porren om die brief nogmaals te sturen, ditmaal per DHL. Mijn budget is beperkt, waarschuw ik. Voor een bedrag van 200 tot 300 euro kan ze me wel helpen, zegt ze.

‘Geachte mevrouw Hoofd’, staat als aanhef in de brief van de advocaat. De brief was verder oké. Nou was de naam Hoofd nieuw voor mij, maar de advocaat had met het Jugendamt eerder al van doen gehad en kende er wellicht beter de weg. Toch belde ik voor de zekerheid even op om te vragen wie mevrouw Hoofd was.
„Die heeft u zelf genoemd”, zei de advocaat.
Ik stond perplex. ‘Hoofd van de afdeling: de heer U.’, stond in mijn mail.
„Oeps”, zei de advocaat.
Rechtgezet. Dacht ik. Maar de volgende dag meldde een secretaresse dat ze de brief nogmaals verstuurd had. De foute aanhef was dus gewoon op de bus gegaan.

Bijna een week bleef het stil. Pas op mijn aandringen nam de advocaat per telefoon poolshoogte.
„Ik heb met meneer U. gesproken”, zei de advocaat, „en die zei dat jullie er met die brief nog lang niet zijn. Adoptie in een derde land duurt heel lang en Rusland doet er heel moeilijk over.”
Weer stond ik perplex. De advocaat en chef U. hadden op mijn kosten uitgebreid over internationale adoptie gesproken, terwijl het geen adoptiezaak is. Het gaat om voogdij en mijn eega is in Moskou al tot voogd benoemd.

Maximaal 300 euro zou de advocaat rekenen. Maar nee, er heeft een wonderbaarlijke vermenigvuldiging plaatsgevonden. In een envelop die op de mat valt, zit een rekening van 1005,25 euro. Gelukkig betoont de advocaat zich schappelijk: afbetalen mag. Dus nu moeten we ook nog slag gaan leveren met een advocatenkantoor.

Opeens komt in Rusland de Duitse brief in beweging. Op een zaterdag blijkt het stuk te zijn beland in een postkantoor waar de Moskouse jeugdzorg hem kan afhalen.

Maandag. Mijn eega wacht en wacht en wacht. Ze belt jeugdzorg. „Wij weten van niks”, zegt haar contactpersoon. „We hebben geen bericht gekregen.”

Mijn eega loopt naar het postkantoor en informeert naar een aangetekende brief uit Duitsland.
„Ja, die ligt hier”, zegt een dame, „maar ik weet niet wat ik ermee moet.”
Wat blijkt? Er staat geen geadresseerde op. Het stuk is gericht aan de Russische Federatie. Stel je de volgende adressering voor: aan het Koninkrijk der Nederlanden, Bosbesstraat 9, Nijmegen.
Mijn vrouw biedt aan om het stuk in ontvangst te nemen.
„En wie bent u dan wel?”
„Ik ben van Jeugdzorg”, liegt mijn vrouw. Het voelt goed.
De dame kijkt argwanend. „Wat is uw functie?”
„Assistente.”
„Assistente van wie?”
„Van de directie.”
„Alstublieft. En neemt u de overige post ook maar mee.”
Mijn eega zet een handtekening. Haar ID hoeft ze niet te tonen.

De brief die wij van de Duitse jeugdzorg niet mochten zien, is in ons bezit. Mijn vrouw brengt hem naar jeugdzorg Moskou, die het stuk weer teruggeeft, zodat wij de Duitse tekst in het Russisch kunnen vertalen. Een ambtelijk stuk dat terechtkomt bij de personen over wie het gaat? Ondenkbaar in Duitsland. Ordnung muss sein. Als het Jugendamt dood was, zou het zich omdraaien in zijn graf.

(Wordt vervolgd.)

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3

_______________________

Reageren kan hier.

 

 

Tims lange weg naar Duitsland (2)

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3

Tim, inmiddels 9 jaar, is zijn moeder kwijt aan koning alcohol en krijgt zijn tante als voogd. Probleempje: Tim woont in Moskou en zijn tante woont in een Duits grensdorp. Een Russisch pleegkind mag zomaar niet mee naar het buitenland.

„Eerst moet u in Duitsland uw woning laten inspecteren”, zegt de dame van de Moskouse jeugdzorg.

O jee, stront aan de knikker. Hoe krijg je de Duitsers in beweging? Mijn eerdere ervaringen waren weinig bemoedigend geweest.

Op 12 mei was mijn eega in Moskou aangekomen. Meteen alarm: haar neefje Tim moest naar een kindertehuis. Wij wierpen ons op als voogd. Per mail vroeg ik aan het Jugendamt Kreis Kleve hoe we deze kwestie aan Duitse zijde moesten aanvliegen.

‘Ik ben met vakantie’, mailde de robot van mevrouw K. ‘Voor noodgevallen kunt u terecht bij mevrouw H.’

Een weeshuis lijkt me nogal een noodgeval. Mevrouw H. vond van niet: ‘Wacht maar rustig tot mevrouw K. terug is van vakantie.’

Eind juni. Mevrouw K. is terug van vakantie en mailt terug: ‘Ik kan niets voor u betekenen. Hoogstwaarschijnlijk kan de vreemdelingendienst u verder helpen.’

Nee mevrouw K., in Rusland vragen ze om een inspectie van onze woning hier.

Mevrouw K.: ‘Dan moet u bij mijn collega’s van adoptie zijn.’

Nee mevrouw K., het gaat niet om adoptie, we praten hier over voogdij.

Afdeling adoptie: ‘U moet toch echt bij mevrouw K. zijn. Zij doet uw dorp.’

Zo strandden mijn eerste pogingen om bij het Jugendamt Kreis Kleve zelfs maar informatie los te krijgen. En nu moesten ze gaan meewerken?

„Alstublieft”, zei de jeugdzorgdame in Moskou, „een brief voor onze collega’s in Duitsland.” In de brief een simpel verzoek: zou u de woonomstandigheden ter plaatse willen inspecteren en de voogd uw verslag ter hand willen stellen?

„Ik kom dinsdag langs”, zegt mevrouw K. medio augustus, na ontvangst van het verzoek. „Ik moet het nog wel even met mijn chef kortsluiten.”

Drie dagen later, telefoon: „Mijn chef gaat niet akkoord. Met u doen we geen zaken, alleen met collega’s. Moskou dient rechtstreeks een verzoek aan ons te richten.”

Wacht even. Die brief bevatte een rechtstreeks verzoek op het briefpapier van de Moskouse jeugdzorg. Het verzoek was gericht aan ‘de bevoegde jeugdzorginstantie in de woonplaats van de betrokkene’. Ondertekend door een Moskouse jeugdzorgchef.

Niet goed genoeg, oordeelde mevrouw K. na het gesprek met haar chef. „De brief mag niet via u komen.” Voor het eerst van mijn leven ondervond ik hinder van het feit dat ik geen postduif ben.

„Jeugdzorg Moskou kan het verzoek naar u mailen”, opperde ik.

„Nee, per mail mag niet, wel per fax”, zei mevrouw K.

Op het Moskouse briefpapier staat een faxnummer. Maar helaas, de fax is kapot, geld voor een nieuwe is er niet en komt er niet, net zo min als nieuw briefpapier, want het oude is nog lang niet op.

„De fax in Moskou is stuk. Via de Russische post is zo’n verzoek maanden onderweg. Is er geen mouw aan te passen?”, vroeg ik aan mevrouw K.

„Nee.”

„Kan ik bij u op gesprek komen om een en ander nader uit te leggen?”

„Nee.”

Dan maar zo. Ik vertaal het Russische verzoek in het Duits en mail dat naar Moskou. Daar maakt jeugdzorg een tweetalige brief op, niet gericht aan ‘de bevoegde instantie’, want daarin had het Jugendamt geweigerd zichzelf te herkennen, maar aan Jugendamt Kreis Kleve. Mijn eega neemt de brief in ontvangst en stuurt die met spoed op via DHL à raison van 60 euro. Dankzij track & trace weet ik dat de brief op 29 augustus bij het Jugendamt arriveert, één dag na verzending. Vervolgens is diezelfde brief bij het Jugendamt intern een week onderweg naar het bureau van mevrouw K.

Telefoon. „Ik kom donderdag bij u langs”, zegt mevrouw K., monter als altijd. „Ik heb ook een aantal vragen voor u en uw vrouw.”

„Mijn vrouw is in Moskou. Een voogd kan zomaar niet weg bij zijn pleegkind.”

„Oké, maar ik heb wel een Führungszeugnis van u en uw vrouw nodig.”

Wat nu weer? „Kan ik hier bij de gemeente wel zo’n Verklaring Omtrent het Gedrag voor mijn vrouw aanvragen?”

„Dat weet ik niet.”

„Dat kan niet”, zegt de gemeente. „Dat kunnen mensen alleen zelf doen. Eventueel per post.”

Per post uit Rusland? Daar hebben we het al over gehad. Eerst maar eens kijken hoe je zo’n aanvraag op afstand aanpakt. Wat blijkt? Je downloadt een formulier en laat je handtekening bij het Duitse consulaat legaliseren.

„Kan niet”, zegt het Duitse consulaat in Moskou. „Legaliseren doen we alleen voor Duitsers.”

Dus laat mijn eega haar handtekening door het Nederlandse consulaat in Moskou legaliseren. Maar hoe krijg je dat formulier vervolgens bij het Bundesjustizamt in Bonn? Per mail mag niet. Per post lukt niet of is peperduur. Nood breekt wet. In Moskou scant mijn vrouw de aanvraag, per mail belandt een kopie thuis in Duitsland op mijn computer, ik druk het stuk af en stop het in een envelop naar Bonn. Twee weken later valt het Führungszeugnis op de deurmat. De wereld wil bedrogen worden.

Weken verstrijken na het huisbezoek van mevrouw K. Tsja, ze mag niets doen buiten haar chef om en die kan ze moeilijk te pakken krijgen. Druk druk druk. Of ik wel weet hoe groot het district Kleef is. Ik zoek het op: 300.000 inwoners. De regio Moskou telt 20 miljoen inwoners en daar gaat het wel vlot.

Dan eindelijk groen licht: op donderdag 28 september zal ze het stuk uitsturen.

„Langs welke weg?”

„Per post.”

„Ik heb u zo vaak gezegd: post naar Rusland komt pas na maanden aan. Of nooit. Kijk hier maar eens. Daar staat: als ze u zeggen dat een poststuk zo’n tien dagen onderweg is, maak daar dan maar honderd van. Kunt u het naar Moskou mailen?”

„Mag niet.”

„Kan ik een kopie krijgen?”

„Mag niet.”

„Kunt u het dan met spoed per DHL opsturen? Ik betaal de kosten.”

„Ik zal het mijn chef voorstellen.”

Dat was donderdag. Op dinsdag vertelt mevrouw K. dat de brief via de Deutsche Post verstuurd is. En daarginds dus bij de Russische posterijen terecht zal komen.

Praten met het Jugendamt is vechten tegen de bierkaai. Inmiddels zijn er weer twee weken verstreken. Waar is de brief waarvan het lot van de kleine Tim afhangt? Wie het weet, krijgt een olifant.

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3

_______________________

Reageren kan hier.

 

 

 

Tims lange weg naar Duitsland (1)

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3

„Tim moet naar een kindertehuis”, zei mijn eega op een dag, nadat ze de telefoon had neergelegd. Tim, het achtjarige zoontje van haar jongste zus, was door Jeugdzorg bij zijn moeder weggehaald toen ze hem weer eens stomdronken van school kwam halen. De oudste zus nam tijdelijk de zorg op zich, maar kon het niet meer aan. Haar man van 73 was drie jaar eerder verlamd geraakt door een beroerte en de jongen was zo druk en lastig als een kind hoort te zijn.

„Naar een weeshuis?”, zei ik. „Dat nooit. We nemen het kind in huis.”

Zo gezegd, zo gedaan. En we leefden nog lang en gelukkig.

Dus niet. Want tussen ons en het neefje loopt een dikke vette grens: die tussen de EU en Rusland. Eerst gaat zich een hele kudde Russische ambtenaren met de zaak bemoeien. Stempels en handtekeningen moesten er komen, kortom, de wieken kwamen op toeren en wij mochten Don Quichotte gaan spelen. En daarna zou dat spel zich in ons woonland Duitsland herhalen.

Vorig jaar was de moeder vanwege de fles al eens uit de ouderlijke macht gezet. Hemel en aarde had ze daarna bewogen om haar kind terug te krijgen. „Ik ben van de drank af. Alsjeblieft, alsjeblieft, geef hem me terug.” Eigenlijk tegen beter weten in lieten Jeugdzorg en de rechter zich in november overreden. Rechters hebben de neiging om bestaande gezinsrelaties in stand te houden.

In maart was het weer mis. Na nieuwe scènes van dronkenschap op het schoolplein, waarbij de moeder haar zoon zelfs kwijtraakte, bracht de politie het kind naar een kindertehuis. Daar haalde zijn oudste tante hem op.

In mei haastte mijn eega, de middelste van de drie zussen, zich naar Moskou, want de moeder van Tim zat in een afkickkliniek buiten de stad en hun 88-jarige moeder, nu alleen thuis, dreigde kopje onder te gaan. Zij heeft zorg nodig. „Alarm”, zei mijn eega aan de telefoon zodra ze in Moskou was. Ze vertelde van de dreiging van het weeshuis.

Onmiddellijk zocht ik contact met Jeugdzorg in ons woonland Duitsland. „Hoe pak ik de voogdij hier in Duitsland aan?”, vroeg ik per mail. Er opende zich een labyrint gevuld met gidsen die zonder uitzondering wegwijzers verkeerd zetten. Mij wachtte een dwaaltocht door de krochten van de Duitse bureaucratie, met een bonte verzameling kastjes en muren als voornaamste instrument van zich sociaal noemende werkers met een in eelthopen verzande ziel.

Intussen was Rusland zelf geen gelopen race. De rechter kon opnieuw besluiten om de bestaande gezinsrelatie te continueren. Die kans was gering, maar bestond, nu de moeder weer thuis was en de drank liet staan, zij het dankzij een maandelijkse vivitrolinjectie.

„Mama”, zei Tim op een dag, „kan ik je even apart spreken?”

„Natuurlijk.” De verheugde moeder nam het kind mee naar de slaapkamer van het tweekamerflatje.

„Mama, zou je je alsjeblieft niet tegen de voogdij van mijn tante willen verzetten, want daarmee torpedeer je mijn toekomst.”

De jongen papegaaide keurig de tekst die hem was ingefluisterd door zijn oudste tante, die gekweld werd door donkere visioenen over haar zuster die, hersteld in de ouderlijke macht, opnieuw aan de drank zou raken, terwijl de middelste tante inmiddels alweer thuis in Duitsland zou zitten en zij dan zelf opnieuw voogd moest worden. Wat ze niet aankon, dus dan zou het kind alsnog in een weeshuis belanden.

De moeder vermande zich. „Als jij dat zo wilt, dan is dat wat ik doe.” Ze stormde het huis uit en zwierf die avond over de straten van Moskou. Zonder vivitrol had ze de fles gepakt.

De rechter zette de moeder in augustus uit de ouderlijke macht. Jeugdzorg stelde mijn eega aan als voogd. Maar het kind mocht nog niet mee naar Duitsland, want eerst moest onze woning geschikt zijn bevonden. De  Moskouse instantie kon de inspectie niet zelf uitvoeren, dus riep zij de hulp in van haar Duitse evenknie.

En dat zouden we weten.

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3

_______________________

Reageren kan hier.

Maar ik niet…

Wel dus, ik ben sterfelijk.

Het is niet dat ik een lage pet op heb van mijn intellectuele mogelijkheden ónder die pet, maar een beetje onnozel ben ik wel. Ik dacht over oud worden namelijk ‘dat komt later wel’. Dat klopt natuurlijk, per definitie. Tot zóver had ik dat heel goed gezien.

Maar eerlijk gezegd dacht ik diep in mijn hart dat van dit uitstel ook afstel zou komen. Of dan tenminste: afstel van bijbehorend ongemak zoals slijtage en afnemende krachten. En van doodgaan natuurlijk, maar dit terzijde.

Doodgaan kende ik van horen zeggen. Dat gaan anderen, maar ik niet. Je moet je jeugdige conditie gewoon bijhouden en trainen en die neem je dan mee met je opklimmende leeftijd. Die wordt zo alleen getalsmatig indrukwekkend hoog, maar daar hoef je echt verder niks van te merken. Dacht ik.

En dat je als je jong bent ook weet dat je gezond moet leven om gezond oud te worden, nou, ik zal nogmaals eerlijk zijn: gezond leven kan altíjd nog, dacht ik ook daarbij. En zo stopte ik vrij laat met roken en ga ik pas sinds een paar jaar verstandig om met mijn liefste vijand – Koning Alcohol.

Mijn grootste zwaktes blijken bewegen en stressmanagement.

Ik bakte er eigenlijk niks van.

Het lijkt wel wat, hoor, maar nu weet ik dat er achter die faςade van zelfbeheersing, binnenin mij een lichaam reageert door langzaam het aderwerk te laten dichtslibben. Dat maak ik tenminste op uit de kennis van hunnie van de hartwetenschappen, waar ik een paar maanden geleden terecht kwam.

Wat nu? Bewegen. Als je maar veel beweegt, heb je minder piekertijd. En bewegen schijnt verder ook goed te zijn, want dan kan het lichaam de artsen wat werk uit handen nemen: natuurlijke omleidingen maken voor verstopte aderen.

Die laatste kennis geeft mij vleugels bij het trainen, want ‘spinning’ oftewel nergens naar toe fietsen, vond ik tot nu toe oersaai.

Zo langzamerhand, na kunstmatige hulp in de vorm van twee dunne tunnelbuisjes in de cityring van mijn hart-, kan ik het weer zelf: vitaal vooruit komen. Een beetje van het ziekenhuis en een beetje van mezelf. En die stress? Voor mij helpt meditatie, wat niet zo zweverig is als het klinkt.

En ach, weet je: alles in het leven wordt betrekkelijk als je je lichaam ervaren hebt als een auto met vier lekke banden die je in je eentje de berg op moest duwen omdat de brandstof op was.

En die dood komt ook wel een keer. Maar nu nog niet.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

Hal

Samen met Lief L. loop ik door de grote hal van het ziekenhuis naar buiten.
De ruimte lijkt gezelliger dan de vorige keren dat ik hier liep en ik vraag me af of dat door mijn opgeluchte gemoed komt.

Een eerder beeld van de hal – nu bijna twee maanden geleden – staat mij nog helder voor ogen: angstwekkend groot en akelig leeg.
Buiten sneeuwt het overtuigend, alles onherkenbaar wit. Een klein sneeuwschuivertje met grote koplampen lijkt met een hopeloze taak bezig.

Tien over drie is het, 03.10 uur wel te verstaan, het is inmiddels zondag.
De buren hadden gezegd dat we in nood ook ’s nachts mochten bellen, maar dit vind ik geen nood. Er bestaan immers taxi’s.

Alleen niet hier en niet nu.
Een taxi regelen onder bijzondere omstandigheden laat ik normaal gesproken vol vertrouwen over aan mijn kordate L., maar die heb ik nou toevallig zojuist achtergelaten aan een druppelinfuus met vocht en twee soorten antibiotica en twee zuurstofslangetjes in de neus, dus dat gaat even niet.

Vijf uur daarvoor had de buurman ons naar de eerste hulp gereden.
Onderweg had ik me schuldig gevoeld tegenover L., die gewoon thuis wou blijven.
Als je ziek bent, lig je per slot van rekening graag in je eigen bed.
En als je héél ziek bent, lig je héél graag in je eigen bed.
En op je allerziekst heb je daarover niks meer te vertellen, dus had ik de dokterspost weer gebeld.

„Nou gaan we alleen maar naar de eerste hulp omdat ik het met jou niet aandurf.”
Daar dachten ze in het ziekenhuis anders over – „Nee, u bent niet voor niks gekomen” – want ze vonden een heleboel goede redenen om mijn lief daar voor onbepaalde tijd vast te houden, op bovengenoemde wijze geborgd en gezekerd.

Een taxi dus. Met trillende handen zoek ik het papiertje dat ik thuis op het laatste moment in mijn tas had gestopt.
„De wachttijd is op dit moment vijf kwartier, mevrouw, het spijt me.”
Ruimhartig geeft de centralist me het nummer van een concullega. Die heeft een nog langere wachttijd.
Terug naar taxi 1, die ik in lijdzaamheid ga zitten afwachten.
Terwijl ik als tijdverdrijf deze column in mijn hoofd begin te schrijven, zie ik na tien minuten een ander levend wezen door de ruimte op mij af komen, iemand van de beveiliging.
„Uw taxi staat bij de eerste hulp, maar hij komt nu naar u toe.”
Ik denk dat ik droom, maar de wonderen zijn de wereld dus nog niet uit.

„Sorry, ik had me vergist, u had inderdaad gezegd hoofdingang.”
En als ik blijk geef van mijn verbazing over de kortere wachttijd: „Ik heb aangebeld bij de vorige klant, maar die was er niet.”

We laten de lege hal nog leger achter en langzaam rijden we naar mijn bed thuis, achter stappers die de uitdaging ‘sneeuw-alcohol-fiets’ zijn aangegaan.
Thuis geef ik de plantjes water en dat vind ik zelf ook raar.

Vijf dagen lang werd de grote hal na ieder bezoekuur wat minder angstaanjagend.
En vanaf vandaag heeft het ziekenhuis weer een leuke hal.
Want L. is genezen verklaard.
En buiten is het lente.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

Blafbrief

Zaterdag kreeg ik een vreemde smaak in de mond  bij een bericht over het laagterecord dat de Duitse werkloosheid heeft bereikt: nog maar 5,9 procent van de beroepsbevolking zit zonder baan. Het laagste niveau sinds de Duitse hereniging, in 1990.

Nogal wiedes dat zoveel Duitsers werk hebben, dacht ik, na het openen van een envelop van advocatenkantoor Waldorf Frommer. Of ik maar even 915 euro wil overmaken wegens het illegaal downloaden van de film ‘Nerve’.

Maar liefst 52 advocaten staan vermeld op het briefpapier van het kantoor. Er werken daar natuurlijk ook nog talloze andere mensen. En waar zijn die universitair geschoolde advocaten mee bezig? Ze versturen tienduizenden blafbrieven per jaar naar mensen die in Duitsland via torrents illegaal films, muziek of foto’s hebben gedownload. Ook streamen via torrentdienst Popcorn Time levert vervolging op. Wie op Google als zoekterm ‘waldorf frommer‘ intikt, krijgt op het moment van dit schrijven 145.000 resultaten voorgeschoteld.

Waldorf Frommer in München is niet het enige kantoor dat zich op het vervolgen van torrentgebruikers heeft gestort. Er is in Duitsland een hele industrie rondom illegaal downloaden ontstaan. En ook nog een afgeleide industrie: talloze advocatenkantoren spelen beschermengel en bieden aan te helpen bij de juridische strijd tegen zo’n ‘Abmahnung’ (officiële waarschuwing). Een kantoor in Berlijn beloofde mij hulp à raison van 550 euro, maar er zou nog wel een restrisico blijven bestaan, zeiden ze er eerlijk bij. Kies maar of je door de hond of de kat wilt worden gebeten. En garantie tot de hoek.

Met een digitaal snuffelprogramma spoort Waldorf Frommer downloaders op. Die particuliere sukkeltjes ontvangen vervolgens namens Sony, Universal, Getty Images of een andere film- of muziekproducent zo’n ‘Abmahnung’. De ontvanger raakt meestal in paniek. Schikkingsbedragen liggen in de buurt van de duizend euro. Je moet binnen een week reageren en binnen twee weken betalen. Of anders, blaft het kantoor, betaal je uiteindelijk een veelvoud van het schikkingsbedrag.

Die termijnen staan in geen enkele wet en de bedragen zijn uit de duim gezogen. Mijn buurman betaalde ooit honderden euro’s aan een beschermengel. Onze tuinman ook. Duitsers, maar ook buitenlanders in dit land, klagen hun nood op internetfora. Een Duits hotel vervolgde een gast tot in Nederland nadat die tijdens zijn vakantie op zijn kamer een gedownloade film had bekeken. Er zijn ook vluchtelingen gepakt nadat die op hun telefoon beschermd werk hadden gedownload. Je kunt gerust spreken van een plaag.

Een beetje rondneuzen op internet leert dat menigeen in Duitsland Waldorf Frommer een schimmig bedrijf vindt. De bedragen komen uit ‘Alice in Wonderland’, en wie zich blijft verzetten, loopt het risico voor de rechter te belanden. Tot voor kort vonden rechtszaken in München plaats, maar volgens een latere wet moet er tegenwoordig in de woonplaats van de overtreder geprocedeerd worden. Dat was een kleine tegenvaller voor Waldorf Frommer. De Duitse wetgever heeft al met al bereikt dat er in het land nauwelijks openbare wifi-punten zijn.

Terug naar mijn blafbrief. Niet alleen moet ik 915 euro betalen, maar ook moet ik binnen een week een ‘Unterlassungserklärung’ – een ik-zal-het-nooit-meer-doen-verklaring – tekenen en opsturen. Of ik Studiocanal GmbH in Berlijn wil beloven dat ik het werk ‘Nerve, film’ nooit meer via internet zal aanbieden. De ‘kleine lettertjes’ in die verklaring zijn de echte valkuil: je belooft dat je bij recidive een redelijke schadevergoeding zult betalen. Misschien houdt Waldorf Frommer nog een Abmahnungkje achter de hand. Als je hun tekst ondertekent, kun je voor duizenden euro’s het schip ingaan.

Nou vind ik het nogal suf om te beloven iets niet meer te doen wat ik nooit heb gedaan. Wat er gebeurd is, zal ik hieronder uitleggen. Maar als ze in München van mij een verklaring willen, kunnen ze die krijgen. Ik ben de beroerdste niet. Dat is mijn broer.

Mijn aangepaste verklaring luidt: ik verplicht me om mij tegenover de hele mensheid vanaf nu te onthouden van het plegen van enigerlei misdaad en overtreding.

Wat was er gebeurd? Op oudejaarsdag waren mijn dochter en een vriendin van haar over uit Nederland. Op de laptop van die vriendin stond als torrentbestand de film ‘Nerve’. De vriendin wilde haar telefoontegoed online controleren en kreeg van mijn dochter het wachtwoord van onze wifi. Een minuut of wat was ze met haar laptop online. Dat was genoeg. Waldorf Frommer: de download/uploadtijd liep van 13:23:01 tot 13:24:33. De misdaad duurde 92 seconden.

Als muzikant ben ik voor bescherming van het auteursrecht, maar wat kantoren als Waldorf Frommer doen, is gelegaliseerde diefstal.

Dat sluwe vossen het recht op een valse manier inzetten, is bekend. Als arme mensen jatten is dat strafbaar, rijken jatten legaal. De wet staat ten dienste van de haaien en hyena’s. Trump bestelde ooit een jacht bij een Friese werf en wilde vervolgens van het contract af zonder miljoenen aan schadevergoeding te betalen. Hoe deed hij dat? Hij kocht de werf, zegde het contract op, vervolgde als werfeigenaar zichzelf niet en verkocht daarna de werf weer. „That makes me smart.” Nina Brink of hoe ze tegenwoordig ook heet, legde legaal beslag op de bezittingen van journalist Eric Smit omdat zijn boek over haar slecht beviel. Het is lastig boodschappen doen als je niet bij je centen kunt. Verhalen over misbruik van recht te over.

Hoe zal het verder gaan met mijn akkefietje met Waldorf Frommer? Hihi. Ze hebben geen schijn van kans. Wordt vervolgd.

________________________________

Reageren kan hier.

Moorddokters

Euthanasieverklaring: ‘Zodra ik mijn eigen familie niet meer herken, wil ik dat een arts mij actief helpt aan een goede dood. Deze verklaring is aan de orde, indien ik op enig tijdstip niet in staat ben haar te bevestigen, te wijzigen of te herroepen, op grond van onvoldoende bewustzijn of onvermogen mij uit andere hoofde te uiten.’

„Meneer Vunderink, wilt u mij even aankijken?”

Wat een drukte allemaal. Ik wou dat ze me met rust lieten. Wie zijn die lui eigenlijk?

„Pap, de dokter wil je wat vragen stellen.”

Waar hebben ze het over? Ik heb honger. Ik wil iets lekkers.

„Ik heb honger. Ik wil iets lekkers.”

„Geeft u uw vader eerst maar iets te eten”, zegt de dokter.

Chocoladepudding met slagroom. Hoe zouden ze weten dat ik dat lekker vind?

„Herkent u deze handtekening?” De dokter wappert met de verklaring.

„Mijn vader kan niet meer lezen.”

„Hier staat dat u met behulp van een arts wilt sterven als u dement mocht worden en u zich uw familie niet meer kunt herinneren”, zegt de arts. „Weet u zeker dat u nooit meer wakker wilt worden?”

Ik hoop dat ik straks weer pudding krijg. Ik wil elke dag wel pudding. Ik hoop dat ik het nog heel vaak krijg. Maar dat gezeur. Ik wou dat ze er een einde aan maakten.

„Ik wou dat jullie er een einde aan maakten.”

„Weet u wie dit is?”, vraagt de dokter, wijzend op de man naast hem.

Wat is dit voor dom gedoe. Ik zal mijn eigen broer toch wel herkennen?

„Ik zal mijn eigen broer toch wel herkennen?”

„Bijna goed. Probeert u het nog eens.”

Het is mijn broer toch? En waar blijft dat lekkers?

„Waar blijft dat lekkers?”

„Pap, je hebt je toetje al op.”

Ik heb helemaal geen niks op. Wat een treiterkoppen. Wat denken ze wel. Dat ik dement ben? Laat die lui eens normaal doen.

„Wat denken jullie wel. Dat ik dement ben? Doe eens normaal, man!”

„Begint-ie weer te huilen. Doet mijn vader steeds vaker, als-ie het niet begrijpt. Dit is precies waar hij bang voor was. Een onwaardige oude dag. Niet meer snappen wie of waar hij is. Daarvoor heeft hij die verklaring getekend.”

„Meneer Vunderink, ik ga u een stukje uit uw dagboek voorlezen. Daarna wil ik graag uw reactie.”

‘Met mijn dood ga ik niemand lastig vallen. Ik reis naar Lapland, ga op een sneeuwvlakte zitten genieten van het panorama en drink bij veertig graden vorst twee flessen vodka leeg. Daarna mogen de ijsberen me hebben. Ik hoop maar dat ik gezond genoeg zal blijven om dit uit te voeren. Zo niet, dan wil ik een spuitje van de dokter.’

„Herinnert u zich deze tekst?”

Wat een gezeur. Waar blijft mijn lekkers? Wat een mispunten. Dit is onverdraaglijk. Er moet een einde aan komen.

„Dit is onverdraaglijk. Er moet een einde aan komen.”

„Daar blijft u bij? U weet dat zeker?”

Ik wil iets lekkers. Natuurlijk weet ik dat zeker.

„Natuurlijk weet ik dat zeker.”

De dokter maakt zijn tas open, haalt een injectiespuit tevoorschijn en zet hem op de arm van de man in het bed.

Hé, wat is dat nou? Daar heb ik niet om gevraagd. Kappen!

„Kappen!”

Waarom tolt de kamer? Hé, waarom gaat het licht uit?

Op 15 maart 2011 werd in Nederland euthanasie gepleegd op een 64-jarige demente vrouw. Toen ze nog goed bij zinnen was, had ze een verklaring getekend waarin ze om euthanasie vroeg zodra ze rijp was voor een verpleegtehuis. Op een gegeven moment herinnerde ze zich dat verzoek niet meer. Op de vraag van een arts of ze euthanasie wilde, had ze nog wel gezegd: „Doodgaan wil ik niet. Dan ben ik niets meer.”

Moraal van het verhaal: teken nooit zo’n verklaring, want daarmee leg je je lot in handen van moorddokters.

________________________________

Deze column stond vijf jaar geleden in De Gelderlander en heeft aan actualiteit niets ingeboet.

Reageren kan hier.

112

Nu alles rond mijn huisgenoot Chuck zo’n beetje achter de rug is, wil ik graag de perikelen rond mijn 112-melding voor een ambulance voor hem publiekelijk delen. Ik zal proberen om mijn verslag zo waarheidsgetrouw mogelijk weer te geven. Maar het blijft subjectief, want gedaan vanuit mijn belevingswereld.

Zondagochtend vroeg hoorde ik Chuck roepen vanuit zijn kamer. Ik liep naar hem toe om te vragen wat er aan de hand was. „Please, call an ambulance”, antwoordde hij.
„Oké”, was mijn enige reactie, want ik had het al een beetje zien aankomen. Hij was al een paar weken ziek, maar zijn situatie was in drie dagen tijd zeer snel achteruit gegaan.

Ik liep terug naar de woonkamer, omdat daar de huistelefoon staat. Belde 112 en doorliep de gebruikelijke procedure. Uiteindelijk kreeg ik een 112-operator te spreken.
Ik probeerde haar duidelijk te maken dat mijn huisgenoot doodziek was en er dringend een ambulance  moest komen.

„Is uw huisgenoot nog bij kennis?”, vroeg zij.
„Ja”, antwoordde ik.
112: „Zou ik hem even mogen spreken?”
Ik: „Dat gaat helaas niet, omdat u op de intercom staat. Als ik de handset van het basisstation haal, wordt de verbinding verbroken. Mijn huisgenoot ligt namelijk in een andere kamer.”
112: „Oké, zou u dan naar hem toe willen lopen om te vragen of hij het warm of koud heeft?”
Ik: „Goed.”

Ik liep naar Chuck en vroeg of hij het warm had.
Chuck antwoordde zwakjes: „Ja.”
„Of heb je het koud?”
Weer zwakjes: „Ja.”

Dit schiet niet op, dacht ik. Terug in de woonkamer hervatte ik mijn 112-gesprek.
Ik: „Ja, hij heeft het warm, ziet eruit als een geest en geeft licht in het donker.”
112: „Kunt u nu vragen of hij hoofdpijn heeft?”
Ik: „Mevrouw, hij is doodziek en die ambulance is echt nodig.”
112: „Goed mijnheer, maar ik moet bepalen of er een ambulance moet komen of dat de doktersnachtdienst het  kan afhandelen. En op dit moment is dat nog niet duidelijk voor mij.”
„Oké, ik ga wel weer”, zei ik.

„Wat is dit nou, geloven jullie hem niet of zo?”, zei een vriend van mij, die op bezoek was.
112: „Wie is dat op de achtergrond?” De vrouw klonk lichtelijk geïrriteerd.
Ik: „Dat is een vriend van mij. Ik ga nu naar mijn huisgenoot.”

Na wederom bij Chuck geweest te zijn deed ik verslag.
Ik: „Ja, hij heeft hoofdpijn en voelt zich beroerd. Hij heeft ook last van hartkloppingen.” 112: „Oké, politie en ambulance zijn onderweg. Zou u die vriend naar buiten willen sturen om de ambulance op te vangen?”
Ik: „Dat doe ik zelf wel, bedankt en tot ziens.”
112: „Dag meneer.”

Direct na het telefoongesprek trok ik mijn jas aan om naar buiten te gaan. Terwijl ik naar buiten liep, ging de buitenbel.
Ik, door de intercom: „Hallo?”
„Politie”, was het korte antwoord.

Ik drukte op de knop van de centrale deuropener van onze flat om de toegangspoort tot de binnenplaats voor hen te openen. Onmiddellijk ging ik via het trappenhuis naar beneden, richting toegangsdeur van onze flat. Daar aangekomen zag ik zes agenten mijn richting op stormen. Ik deed de deur open om ze binnen te laten. Meteen begonnen ze me te ondervragen.

Agent 1: „Ja, wat is er allemaal aan de hand hier?”
Agent 2, tegelijkertijd: „Waar ben je mee bezig?”
Agent 3: „Heb je iets waar je naam op staat?”
Ik: „Ik heb 112 gebeld voor een ambulance voor mijn zieke huisgenoot.”
En tegen agent 3 zei ik: „Heb ik boven liggen.”

„Hoe ziek is hij dan?”, was hun wedervraag.
„Heel erg ziek”, was mijn antwoord.
Vervolgens zei ik: „Maar beter gaan jullie zelf even boven kijken, dan kunnen jullie zelf zien hoe ernstig het is. Het is op de derde etage.”
„O ja, o ja”, was hun antwoord.

En vier van de zes gingen de trap op naar mijn appartement. Ik maakte aanstalten om de straat op te gaan, om de ambulance op te gaan vangen.
„Wat ga jij doen?”, vroeg een van de twee achtergebleven agenten.
Ik: „De ambulance opvangen, zodat ze niet naar de ingang van de flat hoeven te zoeken.”
Agent: „Dat is niet nodig, dat doen wij wel. Ga jij maar terug naar boven.”
„Oké”, antwoordde ik.

Tot mijn verbazing liepen die twee agenten vervolgens met mij mee naar boven. Daar aangekomen zie ik dat twee van de vier agenten die eerder naar boven waren gegaan, bezig zijn met mijn bezoekende vriend, op een manier die makkelijk uit de hand zou kunnen lopen. Ik dirigeer mijn vriend richting woonkamer. Op dat moment komen de twee andere agenten uit Chucks kamer en ik zie dat hun houding heel anders is geworden.

„Het gaat om Chucky”, zeggen ze tegen hun collega’s.

Prompt hoor ik een van de agenten via zijn portofoon een melding maken:
„Alles rustig hier en die ambulance is echt nodig.”

Ik sluit de woonkamerdeur.
„Ze begonnen mij gelijk te duwen”, zegt mijn vriend. „Terwijl ik ze alleen maar wilde wijzen waar ze moesten zijn. Ook bevalen ze mij om naar de woonkamer te gaan en het vooral niet te wagen daar uit te komen.”

Het duurt nog een aantal minuten voordat de ambulance eindelijk arriveert. Terwijl de ambulancebroeders Chuck voor vertrek gereedmaken, komt een van de
agenten vragen waarom wij niet komen kijken hoe het met Chuck gaat.
Ik: „Ik wil jullie niet voor de voeten lopen.”
Mijn vriend: „Het was mij verboden om de huiskamer te verlaten.”
„Oké, dat wist ik niet”, zegt de agent.

Even later zie ik Chuck voor het laatst de flat verlaten, temidden van twee agenten die hem dragen. Later verneem ik dat hij in de nog voor onze flat geparkeerde ambulance al een hartaanval kreeg. Reanimatie begon in de ambulance en werd bij aankomst in het Westeinde Ziekenhuis door de Intensive Care overgenomen. De reanimatie lukte, maar Chuck was wel in coma geraakt en die zou aanhouden tot aan zijn dood, de volgende dag.

________________________________

Reageren kan hier.

Goed fout

Hoe kon het toch dat hij zo succesvol was als zwendelaar? Frank Abagnale: „Mensen geloven wat je hun vertelt.” Abagnale draaide de bak in, maar de FBI kon niet om zijn talent heen en trok hem aan als adviseur. In de film ‘Catch me if you can’ speelt Leonardo DiCaprio deze meesteroplichter. Een aanrader.

„Ik heb een jonge jongen thuis”, zegt een vrouw op de Nederlandse tv, „die is 21 en krijgt geen werk. En hun krijgen over vier maanden straks werk.” ‘Hun’ zijn asielzoekers. Hoe de vrouw dit weet? „Dat heb gestaan op Facebook.”

Er zijn geen dieven meer, de mensen stelen zelf. Er zijn geen zangers meer, de mensen zingen zelf. En er zijn geen journalisten meer, de mensen schrijven zelf.

Hoe kan het toch dat de reguliere oftewel mainstream media, kortweg MSM, weigeren te melden dat de Illuminati bezig zijn een Nieuwe Wereldorde te stichten waarin iedereen slaaf wordt? In het complot zitten de Rothschilds, Bilderbergers, vrijmetselaars en nog veel meer onverlaten. Dit kan maar één ding betekenen: de MSM zitten in het complot.
Tot zover de aluhoedjes.

‘Je baas zal tevreden over je zijn’, schreef een lezer ooit na een analytisch stuk over de MH17-ramp waarin ik de Russen aanwees als meest waarschijnlijke dader.
Baas? Wie dan? Mijn hoofdredacteur? Mark Rutte? De CIA? Mijn vrouw?

Journalisten maken deel uit van ‘de elite’, samen met politici, rechters, advocaten en horden deskundigen. De elite – of beter: elites, ja ja, het zijn er heel wat – zijn bezig zich al graaiend te verrijken ten koste van het volk.

Kom kom, hoor ik u denken, nou niet overdrijven. Zo lichtgelovig zijn mensen niet.
Hoezo overdrijven? Trump!

En de media? Zijn die dan eerlijk?

Even een duik in het verleden. Toen ik in mijn dertigste levensjaar per nachttrein vanuit Polen arriveerde in de Sovjet-stad Brest en de grenswacht in mijn koffer een Volkskrant ontwaarde, vroeg hij: „Waarvan is deze krant het orgaan?” Ik had geen idee waarover hij het had. En toen ik antwoordde dat de krant nergens een orgaan van was, maar het product van een commerciële uitgeverij, had die officier op zijn beurt geen idee waar ik het over had.

In die tijd stond op een Moskous flatgebouw in gigantische letters een leuze van Lenin: ’De krant is niet alleen een collectieve propagandist en een collectieve agitator, maar ook een collectieve organisator.’ Ik dacht: en nieuws, hoe zit het daarmee?

In Nederland was Het Vrije Volk een PvdA-krant. De Waarheid was het orgaan van de communisten. En sommige bladen hadden een confessioneel tintje. Hier kun je dus van ‘organen’ spreken.

Die partijdige Nederlandse organen bakten het zelden zo bruin als de Sovjet-media. ‘Vremja’, het hoofdjournaal van de Sovjet-Unie, liet avond aan avond maaidorsers zien die steevast meer graan oogstten dan gisteren. Fabrieken haalden met hun productie het vijfjarenplan niet alleen, maar gingen er zelfs overheen — duizelingwekkend waren de successen. Tegelijk stonden mensen in de rij als er eens een keer wc-papier te koop was. Of mayonaise. Of bananen. Wilde je een Lada of een andere sneue Sovjet-auto kopen, dan moest je jaren van tevoren intekenen.

„Geen vis?”, vraagt in Moskou een koper, starend naar een lege vitrine.
„Nee, wij hebben geen vlees”, zegt de verkoopster. „Geen vis, dat is aan de overkant.”
Met zulke mopjes sloegen de Russen zich door de successen van het Sovjet-systeem heen.

Intussen zadelden de Sovjets mij, correspondent voor onpartijdige Nederlandse MSM, met een reëel probleem op. Hoe kon ik het leven op mijn standplaats zo beschrijven dat de lezers me nog zouden geloven? Om mijn doel niet voorbij te schieten zwakte ik de kommer en kwel in het Sovjet-paradijs enigszins af.

Dat afzwakken werd een mislukking. „Je bent te zwartgallig”, vond een hoofdredacteur in Deventer, „niet realistisch.” De Russen lustten mijn stukken al helemaal niet en dus zetten ze mij, belasteraar van het weergaloze communistische experiment, in 1986 met gezin en al op de trein naar Hoek van Holland. Enkele reis. Deze week nog kreeg ik een reprimande van Facebook-leden die mijn opgebiechte afzwakking betitelden als ‘aanmatigend’. Wie dacht ik wel niet dat ik was? Mijn beweegredenen, waarover die critici niet konden oordelen, lagen buiten hun voorstellingsvermogen. Tja, mensen kunnen niet buiten hun eigen hoofd denken. De ‘unknown unknowns’ van Donald Rumsfeld hadden ze kennelijk niet meegekregen.

De nieuwsconsument haalt het nieuws graag bij bronnen die zijn denkbeelden bevestigen. Vind je politici Pinokkio’s? Welkom bij GeenStijl. Er zijn meer van dat soort websites, maar ik gun ze hier geen link.

De waarheid is ook maar een mening, hoor je sommige media beweren. Postmodernisme is in. Russia Today (RT) en Spoetnik, beide Russisch, zijn erom beroemd. Neem de talloze versies over de MH17 waar ze mee kwamen, haaks op elkaar en allemaal even juist. Wat maakt het uit? Niemand is toch objectief?

Klopt. Probeer maar eens objectief te zijn als je een ongelukkige jeugd hebt gehad. Als je in de Haagse Schilderswijk bent opgegroeid. Als je de profeet Mohammed, Jezus Christus of opa Lenin met de paplepel kreeg ingegoten.

Staat objectiviteit dus bij het oud vuil? Gelukkig niet. De meeste oude media streven ernaar. Dat streven maakt het verschil.

Tegenpool daarvan zijn, naast RT en Spoetnik, bijvoorbeeld Fox News en Breitbart, die een vals wereldbeeld opdringen. Twee voorbeelden. Fox News steunt de olie-industrie en is daarom tegen groene energie. Kop: ‘VS ongeschikt voor zonne-energie want minder zonnig dan Duitsland.’ Kop op de Trumpgetrouwe website Breitbart: ‘Anticonceptie maakt vrouwen onaantrekkelijk en gestoord.’

Er is er een derde categorie: de redelijken. Ogenschijnlijk neutraal stappen zij door de wereld en ogenschijnlijk neutraal geven ze door wat zij horen en zien. Onder andere het NOS Journaal vindt dat het zo moet. Als Trump beweert dat zijn inauguratie meer publiek trok dan ooit, vindt hoofdredacteur Marcel Gelauff het niet netjes om deze leugen als feit te bestempelen.

Afgelopen week berichtte het AD over een Vlaamse pater in Syrië die Assad en Poetin bedankte voor het redden van zijn leven. De pater zegt dat niet het volk tegen president Assad in opstand kwam, maar dat er sprake was van buitenlandse agitatoren. De journalist laat dat onweersproken. De pater zegt dat de Amerikanen en hun bondgenoten het land te gronde willen richten. ‘U begrijpt dat uw analyse controversieel is en op veel kritiek stuit?’, vraagt de journalist. Daar moet de lezer het mee doen.

Op Facebook reageren mensen die blij zijn met dit ‘eerlijke verhaal’. Vergelijk het eens met dit Wikipedia-lemma, suggereerde ik. Reactie: Wikipedia is onbetrouwbaar.

Wikipedia heet onbetrouwbaar en de ruim 900 voetnoten zijn dat kennelijk ook. Wat valt op? Het AD-artikel over de pater, waarin het Westen ervan langs krijgt en Rusland wordt geprezen, trekt vooral ‘likes’  van Poetin-fans, onder wie nogal wat Russen.

Het pro-Poetinkamp is niet te beïnvloeden. De gemiddelde lezer zit niet in dat kamp, maar is wel een leek die voor de vorming van zijn wereldbeeld aangewezen is op de media. De ‘redelijke’ journalist die in zijn streven naar objectiviteit de lezer of kijker laat bungelen door geen kader te verschaffen, slaat de plank mis en zit goed fout. En eh… Bedankt namens Poetin en de populistische politici die her en der in de startblokken staan.

________________________________

Reageren kan hier.

Misofonie

„Wat jij hebt is een ziekte.”

Omdat ik op dat moment half bewusteloos naar de koffiezetter slof, denk ik dat hij dát bedoelt: ochtendziekte. Daar leed, naar eigen zeggen, mijn moeder ook aan.

„Dat je niet tegen geluiden kan, is een aandoening”, en behulpzaam reikt Lief van mijn Leven L. mij het ochtendblad aan. Hoor ik ook enige triomf?

Het staat in de krant, dus het is waar. Met tegenzin bekijk ik het artikel. Er staat ook iets van een poli op het AMC, afdeling psychiatrie. Wel ja joh, ik ben niet alleen ziek maar ook knettergek.

Chips, die zijn het ergste, denk ik. Het binnensmonds kauwen gaat nog wel: dat is gedempt geluid, mits de lippen gesloten zijn natuurlijk. Nee, het is die grauwende knauw waarmee het krokante kunstwerkje door de gemiddelde chipsconsument gelijk bij aankomst door de haag der tanden en kiezen verslonden wordt, de mond ver geopend zodat geen detail van het proces voor oor en oog verloren gaat. En… Er-zit-een-grom-me-tje-bij, ik zwéér het.

Appel is een goede tweede. De mond van de geoefende appel-eter werkt zich als een minigraafmachientje naar het klokhuis toe, en dat in een tempo alsof er iemand onder het puin vandaan moet worden gehaald.

Er is meer, maar ik bespaar het u want wie weet is het besmettelijk en dan zou er al gauw een wachtlijst kunnen ontstaan voor de poli Misofonie en dan duurt het weer zo lang voordat ik geholpen word.

Er zal toch ook wel een begripvolle opvang voor de familie van de patiënt zijn? Want die worden behoorlijk in hun normale doen en privacy aangetast en moeten in sommige gevallen ongekende woedeaanvallen verdragen, zoals te lezen valt in dit artikel in de VPRO-gids.

Ik heb wel een suggestie. Vroeger kwam mijn ziekte namelijk niet voor. Maar toen had je nog tafelmanieren. Niet met open mond eten en zeker niet met volle mond praten. Niet drinken als je nog eten in je mond hebt: ‘niet metselen!’, ik hoor het mijn vader nóg zeggen. Niet slurpen en alleen met een hand ervoor over de hete soep blazen. En zo voort en zo verder.

Daarom voor de slachtoffers van misofoniepatiënten een ouderwets goed boekje: ‘Hoe hoort het eigenlijk?’ Ter preventie van een vreselijke aandoening met vreselijke gevolgen voor de omgeving.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.