Borreltaal

Aan het einde van de Komkommertijd van 2016 nam onze minister-president Rutte als VPRO-Zomergast de straattaal over van een stelletje opgefokte Erdogan-aanhangers.

‘Pleur zélf op’, zei hij.

Want zij hadden ‘pleur op’ in de camera geroepen en daarna werd verdere uitzending door hun toedoen onmogelijk gemaakt.

In mijn kringen was ik de enige, maar hij haalde me destijds met die straattaal de woorden uit de mond en zei er bovendien iets heel verstandigs achteraan over hun vrijheid van meningsuiting en onze vrijheid van pers en zo.

Onlangs bezigde hij op zijn wekelijkse mediamomentje wéér straattaal: hij ‘zou mensen die rond de jaarwisseling hulpverleners bedreigen het liefst persoonlijk in elkaar slaan.’

Maar hij zei er dit keer niets verstandigs achteraan. Want ‘maar dat kan niet’ valt voor mij niet onder goed doordachte argumenten. Evenmin de opmerking ‘dat we er als samenleving blijkbaar niet in slagen om kinderen en vrienden te zeggen dat dit niet kan’.

Als er nou iets is dat onmacht laat zien en eigen verantwoordelijkheid wegduwt, dan is het wel het gebruik van ‘we’.

‘Samenleving’ dan, ook zo’n wegpoetslap voor eigen falen. Als iets de schuld is van de samenleving, is het niemands schuld. Want dan wordt niemand verantwoordelijk gesteld. En die ligt er wel, Rutte: maak jij nou het werk van de politie eens makkelijker door een vuurwerkverbod te durven afdwingen. Maar ‘verbieden die hap’ is taal die onze MP niet snel zal bezigen, kost te veel kiezers.

Wat Rutte bovendien deed was mee willen vechten, óók geweld willen gebruiken. En dan gauw zeggen dat ‘dat niet kan’. Nou, Mark, het kan wel, maar het mag niet. Dat zeg ik als samenleving dan maar even tegen je, al ben ik je moeder niet en evenmin je vriend.

Een paar dagen later verraste de ooit zo vrolijke en nu zo chagrijnige MP weer, in Buitenhof deze keer. Geen straattaal nu, maar kiezers-wervende borreltaal over ‘de witte wijn sippende Amsterdamse elite, die alsmaar kritiek heeft op de Amerikaanse president Donald Trump.’

Ten eerste nip je witte wijn. En je kan er eventueel bij gaan sippen.

Dacht ik. Maar een oplettende lezer attendeerde mij op het feit dat sippen een synoniem is van nippen. Bargoens zelfs, plat Amsterdams zelfs, volgens Jean Pierre Geelen in de Volkskrant van 16 januari 2019.

Maar dat verband met critici van Donald Trump?

En natuurlijk wéér zo’n onmachtwoord gekozen: ‘alsmaar’.

‘Van wie heeft de single Rutte dat machteloze relatie-ruzie-stopwoordje in godsnaam overgenomen?’, schreef ik in eerste instantie.

En ja, dat is op de man spelen, zoals dezelfde oplettende lezer mij schreef. Dat is niet aardig, bovendien klopt het niet, want ‘alsmaar’ en ‘altijd’ en ‘nooit eens’ worden vaker gebruikt bij onmacht, en niet alleen in partnerrelaties.

Niettemin wordt het tijd dat Rutte stopt met sippen over zijn arme vrindje Donald en – na het wegklokken van een goed glas witte wijn – oppleurt.

Nog één keer een reden voor een weergaloos, laatste vuurwerk.

Uitgezet

De uitzetting van Ans Boersma, correspondente voor Het Financieele Dagblad, maakte herinneringen bij mij los. Zij werd Turkije uitgezet, ik moest ooit de Sovjet-Unie uit. Verder zijn de verschillen groot.

Mijn uitzetting verliep geniepiger. Met vrouw en twee kinderen woonde ik midden jaren tachtig in Moskou en mijn visum dankte ik aan mijn vertalersbaantje bij de uitgeverij Progress. Daar werkten veel buitenlanders die in ruil voor een visum, een woning en een habbekrats stichtelijke Sovjet-teksten vertaalden om in het buitenland zieltjes te winnen voor het communistische ideaal. Anders gezegd, in die flat in het zuidwesten van Moskou woonden wij met tientallen landverraders onder elkaar. Een gezellige boel.

„Denk je dat het een probleem is als ik in mijn vrije tijd stukjes voor een Nederlandse krant ga schrijven?”, vroeg ik aan mijn chef Jevgeni bij Progress. Hij zag geen probleem.

„Zal ik stukjes voor jullie gaan schrijven?”, vroeg ik aan Nederlandse kranten. „Ja graag”, antwoordden die kranten. Voordat ik op eigen houtje naar Moskou was vertrokken, hadden ze me allemaal afgewezen.

Ik kon kiezen tussen het AD en De Telegraaf. Dan maar de echte Telegraaf. Ik kreeg er ook een Belgische krant bij en verder radio.

Al spoedig kwam er bij Veronica Nieuwsradio een verontwaardigde brief binnen. ‘Die correspondent van jullie verspreidt leugens over de Sovjet-Unie’, stond erin, ‘ontsla die man. Als jullie wisten uit wat voor familie hij kwam, hadden jullie hem nooit genomen.’

De Russen konden onder Nederlanders rekenen op blinde vriendschap. Ook nu nog.

Wat waren die leugens? Ik schreef over zaken waarover de Russische pers zweeg. Over prostitutie bijvoorbeeld. Dames van plezier waren er in het arbeidersparadijs natuurlijk niet. Die had ik uit mijn duim gezogen. Dat er tekorten in de winkels waren, dat Russen gek werden van de bureaucratie en dat werken op de vrijwillige werkzaterdag helemaal niet vrijwillig was – allemaal gelogen.

Het eerste signaal dat er iets niet lekker zat, kreeg ik in de zomer van 1985, toen ik weer even met de nachttrein naar Nederland wilde om een nieuwe voorraad sambal, mayonaise en tomatenketchup in te slaan. Wij buitenlandse vertaalverraders hadden geen uitreisvisum. We moesten om te reizen bij de uitgeverij toestemming vragen aan de Pervyj Otdel, de Eerste Afdeling. KGB, dat wist iedereen. Opeens kreeg ik geen uitreisvisum meer, maar als ik met mijn gezin definitief wilde terugkeren naar Nederland, mocht dat wel, zeiden ze.

Ik belde mijn zwager in Nederland: „Stuur even een telex dat oma ziek is en dat ik meteen moet komen.” Prompt kreeg ik een uitreisvisum, dat dan weer wel. „Hoe oud is je oma?”, vroeg de chef van de Pervyj Otdel. „Ze is 92”, loog ik. Mijn oma was allang dood.

Ook wees de uitgeverij mijn verzoek af om als personeelslid deel te mogen nemen aan de 1-meiparade. Die zou alleen voor de eigen burgers bedoeld zijn. Onzin, natuurlijk. En ze wisten dat ik wist dat dat onzin was.

Mijn contract bij Progress werd in januari niet verlengd. We moesten terug naar Nederland. In februari verscheen er opeens een groot artikel in een Sovjetkrant: nepfiguur uitgezet. Dat was ik.

Zoals dat ging en gaat in Rusland, stond het bericht vol halve waarheden. In die jaren onderhielden de Sovjet-Unie en Israël geen diplomatieke betrekkingen. Russische Joden die wilden emigreren, moesten een visum aanvragen via de Nederlandse ambassade. Een Jood vroeg mij voor hem en zijn gezin een envelop af te leveren bij die ambassade, want hij kwam er niet doorheen. Dat deed ik. De Russische krant meldde dat ik aan Joden geld had gevraagd om hen te helpen. In het stuk stonden flarden van gesprekken die ik met mijn chef Jevgeni van Progress had gevoerd. Rara, hoe kan dat.

Ik was uitgezet, meldde de krant, omdat ik zonder accreditatie als journalist had gewerkt en daarmee internationale wet- en regelgeving grof had geschonden. Ook dat klopt niet. Wie legaal in een land verblijft, mag daarover schrijven. Je kunt als niet-geaccrediteerd journalist alleen geen gebruik maken van bepaalde voorzieningen, zoals speciale woonruimte. Of toegang tot officiële persconferenties.

Jaren later, toen ik weer persona grata was, heb ik in Moskou geprobeerd de schrijver van het stuk, Aleksandr Mozgovoj, te interviewen over de banden tussen journalisten en de KGB. Eerst zei hij ja, later belde hij af.

Perestrojka en glasnost, Gorbatsjovs politiek van hervorming en openheid, waren al begonnen. Welk belang hadden de Russen om mij uit te zetten?

Dat was er niet. Ik had alleen de pech dat op dat moment Anatoli Blatov ambassadeur in Nederland was. Hij was assistent van partijleider Brezjnev geweest en onder Gorbatsjov weggepromoveerd naar Den Haag. Blatov zat zich in Den Haag op te vreten over de onverlaat die al die vuile lasterpraat over zijn heilstaat in De Telegraaf spuide. Hij wilde me zijn land uit hebben en dat lukte. Een maand of wat later bombardeerde een Sovjetkrant mijn vertrek tot uitzetting. Drie jaar kreeg ik geen visum meer. Die slag was voor Blatov.

En toen kwamen Blatov en ik elkaar tegen. In mei 1987 trad Alla Poegatsjova, de populairste zangeres van de Sovjet-Unie, op in het Amsterdamse Carré. Ik tolkte voor haar op het toneel. In de zaal zaten Blatov en de rest van de Sovjet-ambassade. Na afloop kwam een Russische diplomaat mij de hand schudden. „Goed gedaan!”

Twee maanden later huurde het Amsterdamse Mickery Theater mij in als tolk. Een Russisch toneelgezelschap deed een aantal voorstellingen in Rotterdam. Op een dag sprak de reisleidster van het gezelschap – ‘KGB’, zeiden acteurs achter haar rug – mij aan. „Ik ben gisteravond gebeld door de ambassade en ze zeiden dat jij niet te vertrouwen bent en dat we jou moesten ontslaan. Ik antwoordde dat we je niet hadden aangenomen, dus ook niet konden ontslaan. Pas op, zei de ambassade toen, want hij is anti-Sovjetactivist.” Ik ging door met tolken. Die slag was voor mij.

Bij mijn ‘uitzetting’ had Nederland geen rol gespeeld. Hoe anders is dat bij Ans Boersma. Het Openbaar Ministerie (OM) vroeg de Turken wat zij over de ex-vriendin van een foute Syriër konden melden. „Dank je voor de informatie, Den Haag”, zeiden de Turken. Exit Boersma. Dat vriendje is al jaren ex, hij is niet veroordeeld, Boersma zelf is niet veroordeeld, maar voor de zekerheid heeft Het Financieele Dagblad de freelancer, op wier werk niets aan te merken viel, gedumpt.

Wereldvreemd, dat OM, als je niet snapt dat zo’n informatieverzoek in het Turkije van de paranoïde Erdogan gelijkstaat aan het stempel ‘terrorist’. En voor Het Financieele Dagblad staat ‘verdacht’ kennelijk gelijk aan ‘veroordeeld’. Als freelancer had ze nagelaten een lijstje van haar ex-vriendjes bij de krant in te leveren. Ja, dan vraag je erom.

Van je collega’s moet je het hebben.

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Branie

Mijn euthanasie? Geregeld. Die komt er niet. Ten eerste wil ik de rit helemaal uitzitten. En ten tweede mag ik nog lang niet dood, al ben ik al 68, want dit jaar kregen mijn vrouw en ik een kind. Alleen door te adopteren konden mijn vrouw en ik haar tienjarige neefje redden van het weeshuis. En zorgplicht is leefplicht.

Euthanasie moet je op tijd aankaarten bij de huisarts. Een redelijke voorwaarde, stelt de wet, is dat de dokter ervan overtuigd is dat je over je zachte dood goed hebt nagedacht. Lastig wel, dat je dus veelal met nadenken moet beginnen terwijl er in lijf en leden mogelijk nog geen alarmbel is afgegaan. Maar goed, een uitvaartverzekering neem je ook gedurende de feesttijd des levens, en vergeleken met de regelmaat van de kattenbelletjes over je onvermijdelijke einde in de vorm van termijnbetalingen aan de verzekeraar vallen die sporadische gesprekken met de dokter om je euthanasiewens vers te houden eigenlijk reuze mee.

Ook als er geen doorleefplicht bestond vanwege die nieuwe zoon, waarom zou ik, op mijn leeftijd, een gesprek over euthanasie aangaan met mijn huisarts? Volgens het CBS heb ik ‘gemiddeld’ nog zo’n veertien jaar te gaan. Zou ik vandaag een jonge kat aanschaffen, dan geven het dier en ik statistisch tegelijkertijd de geest. De dood van zo’n beestje, de ogen net open, ga je toch ook niet anderhalf decennium van tevoren plannen?

Aan mijn euthanasiestandpunt ligt zeker geen levensovertuiging ten grondslag. Mocht de almachtige God uit het bijbelse sprookje bestaan, dan vindt Hij een zelfgekozen dood prima. Er valt immers geen musje van het dak zonder dat Hij het wil. Je kunt jezelf dus niet van kant maken zonder dat het Hem behaagt.

„We worden geboren om te sterven”, placht mijn vader zaliger te zeggen. Daar ben ik het hartgrondig mee oneens. We worden geboren om te leven. Dood zijn kan altijd nog, het levens is slechts een overgangsfase van niets naar niets. Mocht ik ziek worden en lijden, men verzachte mijn pijn. Raak ik verzwakt, men rekke mijn leven. Krijgt alzheimer mij te pakken, men late mij doormodderen. Raak ik in coma, men koppele mij niet af. Veel beter voor mijn eega ook, want door haar buitenlandse jaren is haar oudedagvoorziening schraal, en ik zie mijn geld liever bij haar belanden dan in de pensioenpot stranden.

Branie, mijn getoeter? Vast wel. Plannen gaat nogal eens mis. Een vriendin wilde niet op dezelfde manier eindigen als haar demente moeder, die ooit aan het zwerven sloeg in een Russisch woud en spoorloos verdween. De vriendin had haar euthanasieverklaring klaarliggen. Niet dat ze dood wilde, zoals bleek uit een papiertje waarop ze het inkomen had berekend dat haar zou resten na de dood van haar bejaarde en invalide man. Zij keek vooruit, zij wilde verder. Dacht haar omgeving. Tot haar fatale sprong van een balkon, enkele weken geleden. Ze was 56 jaar oud.

Daar sta je dan met je branie. ‘Life is what happens to you while you’re busy making other plans’, zong John Lennon in ‘Beautiful Boy’ zijn vijfjarige zoontje Sean toe. Een maand later was Lennon vermoord en tot as wedergekeerd.

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Politiek Correct 2.0

Politiek Correct 1.0 wordt irritant, vooral voor politiek correcte mensen, zoals ikzelf.
Je kan geen ‘ja-maar-zin’ beginnen, of je krijgt het alweer naar je hoofd.
En anders is er wel een politiek correctere persoon dan ikzelf die me minzaam corrigeert op mijn opvattingen. Het is een scheldwoord geworden én een exclusief kerkje.

Wat dat betreft zou ik blij moeten zijn dat Politiek Correct 2.0 eraan komt (weet nog niemand, want ik heb dat pas net bedacht).
Alleen, daar ga ik dus geen lid van worden.

Het nu volgende tors ik nog steeds mee in mijn veel te zware 1.0- rugzak:

  • opkomen voor de zwakkeren in de samenleving (ja, óók als ze wit zijn)
  • opkomen voor de vrijheid van meningsuiting (ja, óók voor Geert Wilders)
  • opkomen voor de rechtsstaat en de democratie (luister je, Geert Wilders?)
  • afkeuren van véél te hoge inkomens bij véél te weinig mensen (als iederéén een veel te hoog inkomen heeft, is er uiteraard niks aan de hand)
  • voor de zekerheid toch maar wat beter op de aarde passen
  • en – niet te vergeten–  lief zijn voor elkaar en andere dieren (ook als je ze opeet, die laatste dan).

In de rugzak van Politiek Correct 2.0 zitten andere, mij wezensvreemde dingen:

  • benoemen van van alles en nog wat (met uitzondering van de eigen fouten)
  • schelden (met een beroep op de vrijheid van meningsuiting en uitsluitend op politiek correcten 1.0),
  • beschimpen van de democratie en de rechtsstaat (maar er wel gebruik van maken)
  • behoud van de eigen cultuur (d.i. eieren schilderen, eieren gooien, anderen het hele jaar door zwart maken, zichzelf vanaf half november tot begin december zwart maken)
  • knuffelen van witte boze mannen, hooligans en Noord-Brabantse criminelen
  • en bij elke maatschappelijke discussie zeggen ‘oké, gewelddadig, maar hij heeft wél een punt’ (dit zegt de 2.0 -intellectueel), of ‘oké, gewelddadig, maar zíj begonnen’ (dit zegt de 2.0-straatvechter).

Hoe is het zover gekomen?
Ach, dat zal óók wel weer mijn schuld zijn.
Maar ik blijf maar zoals ik ben en behoud mijn eigen rugzak, met inhoud en al, hoe zwaar ook.

Verrassend toch, ik zo conservatief? Het zal mijn leeftijd zijn.

Ik hoef niet meer zo nodig met alle vernieuwingen mee te gaan en laat Politiek Correct 2.0 links liggen.

Of rechts.

Nou ja, hoe dan ook: ik kan er niks mee.

Midwinterhoorn

Wat journalistieke opleidingen de kinderen leren? Ik zou het niet weten. En de journalistiek zelf is vaak ook niet meer dan poppenkast.

Eerst maar even over die poppenkast. In 1990 zat ik in Moskou en versloeg ik voor de Nederlandse en Belgische radio het conflict in Nagorny Karabach. Voordat iemand over de spelling valt, in het Nederlands is er foutief Nagorno-Karabach van gemaakt. Desgewenst mag je mij om uitleg vragen via Facebook. De afstand tussen Moskou en Nagorny Karabach is ruim 2.300 kilometer. De verslagjes van telkens amper een minuut had een verslaggever in Nederland met even groot gemak kunnen samenstellen op grond van dezelfde persberichten die ik gebruikte. Maar ja, ‘onze correspondent in Moskou’ klinkt nu eenmaal beter dan ‘onze correspondent in Giethoorn’. Ik was toen freelancer en heb aan die nepverslaggeving ooit in één maand 15.000 gulden verdiend. Nee, mijn geweten knaagt niet. Ja, het geld is op.

Zodra ik in de auto stap, zet ik Radio 1 aan. Een interview is al begonnen, geen idee met wie, want ik heb het begin gemist. Ik luister een minuut, vijf minuten, tien minuten, maar de interviewer noemt de naam van zijn gast niet één keer, zelfs niet bij de afsluiting. Dan ben je ongeschikt voor je beroep en deugt je opleiding niet.

Vanuit Moskou bediende ik ook de Wereldomroep. „Je hoeft de naam van die politicus niet elke keer te noemen”, zei een wijsneus in de Hilversumse studio, „één keer is genoeg en daarna zeg je ‘hij’.” Die jongen heb ik de mantel uitgeveegd. De Wereldomroep zond via de korte golf uit naar mensen in verre oorden met slechte radio’s en dan zou je door alle ruis heen een naam maar één keer noemen? Ga je schoolgeld terughalen.

Die dingen zijn mij niet geleerd. Ik heb geen journalistieke opleiding. Die enkele journalist die ik als muzikant tegenkwam, maakte op mij geen verpletterende indruk. Op één voorval na. Winston, de zanger van onze band Cobra, had een interview gedaan met Jip Golsteijn en Berry Zand Scholten. Vlak voor het afscheid klaagde Winston dat Nederlandse journalisten bands van eigen bodem helemaal niet promootten. „Waarom schrijven jullie niet: ‘Na de Beatles kwam Cobra’?” Prompt stond er in De Telegraaf een joekel van een kop: ‘Na de Beatles kwam Cobra’. Winston vond het geweldig, al speet het hem dat hij in plaats van de Beatles niet de Stones had gezegd. De Stones bestaan nog, Cobra is allang dood.

Mijn eigen ervaring was, dat in zo’n muziekblad daarna vaak iets stond wat ik niet gezegd had en interessantere zaken waren weggelaten. In die dagen placht ik te roepen: een journalist schrijft op wat anderen zeggen en ik wil het zelf zeggen.

Hoogmoed komt voor de val. Ik werd journalist. Eerst had ik aan kranten gevraagd of ik voor ze naar Moskou mocht. „Nee, doe maar niet”, zeiden die kranten. Dus regelde ik zelf mijn verblijf in Moskou om vervolgens naar die kranten te roepen: willen jullie me nu? Ja, nu willen we je wel. De rest is geschiedenis.

Niet dat ik erg geschikt was voor het vak. Als journalist moet je je aan mensen opdringen en als ze niet willen praten, moet je soebatten, zeuren, aandringen, argumenteren, nog een keer bellen, hen via via benaderen enzovoort. Gelukkig was ik correspondent in de gouden jaren, toen we nog een secretaresse hadden aan wie ik het zeuren kon overlaten. Dat is in de huidige karige tijd voor Nederlandse correspondenten ondenkbaar.

Wat de school voor journalistiek je ook niet leert, is de uitspraak van namen. Annechien Steenhuizen had het in het NOS Journaal over de film ‘Iron Man’, waarbij ze ‘iron’ liet rijmen op ‘Byron’. Mandela spreken Nederlandse journalisten uit als Mandeela, alsof in het buitenland onze spellingregels zouden gelden. En de hoofdstad van Zuid-Korea spreken we uit alsof het een Frans woord is.

Dan cijfers. Een ramp. Een fietsenfabrikant heeft 0,1 procent van de markt, een jaar later 0,2 procent. Hoe groot is de stijging? Journalist: 0,1 procent. Nee oen, 100 procent. Oftewel 0,1 procentpunt. Procentpunt, wat is dat nou weer? Veel journalisten hebben er niet eens van gehoord.

Of neem de statistiek. De levensverwachting van de Russische man is 66 jaar, dus als de pensioenleeftijd naar 65 jaar wordt opgetrokken, geniet de Rus maar één jaar pensioen. Stellen tegenstanders van de verhoging in Rusland en wauwelden onze media na. Nee, de gemiddelde levensverwachting bij de geboorte is voor de Russische man momenteel 66 jaar, maar zodra de kindersterfte, verkeersdoden, doodzuipers en drugsdoden ervan zijn afgetrokken is zijn gemiddelde levensverwachting op zijn 65e nog 13 jaar.

Hoe het wel moet, laten de pioniers van Bellingcat zien. De Brit Eliot Higgings was werkloos administrateur toen hij ging speuren op het internet en onder meer de daders van het MH17-drama aanwees. Journalistieke opleiding? Geen. Hij is ‘burgerjournalist’.

Vergelijk dat met de Moskoucorrespondent die uiteindelijk op de bijlageredactie belandt en in zijn nadagen bij de krant schrijft over de midwinterhoorn. Mij niet gezien, maar de schoorsteen moet roken, dus ik heb het wel gedaan. Dat was afzien.

Je journalistiek laten scholen? Laat maar zitten, leer een vak, spit een basisboek journalistiek door en je weet genoeg. Leer rekenen, denk aan Bellingcat en mijd de midwinterhoorn.

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Bitterbal en Boterhoofd

Ik ken ze hoor, die egotrippers die – zonder antenne voor eventueel ongemak bij de begeerde partij – hun status gebruiken om romantisch aan hun trekken te komen.

De ervaring leert dat het er in de praktijk zelden van komt om zelfbewust ‘wegwezen, zak!’ te roepen en het gedrag van de hitsige held gewoon te melden bij een bevoegde instantie. Ongeloof, zelfverwijt en angst voor bagatellisering zijn grote hobbels.

De #metoo-beweging opent inmiddels heel wat verborgen archieven, met gevoelige gevolgen voor bovengenoemde romantici. Het is inderdaad ‘wegwezen’ nu, maar dan grondig: weg reputatie, weg baan.

Weg probleem? Mwah…

Toen enkele maanden geleden Daniele Gatti zonder mankeren ontslagen werd als dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest, dacht ik opeens: ik mis iets.

Behalve Gatti, die de directie van het orkest voerde, heb je toch ook lui die de directie van de organisatie voeren?

Nou, aan die kant mis ik dus iets.

Want het ging in Amsterdam zoals overal in de wereld: de omgeving weet niet hoe gauw ze zich moet distantiëren van de zondaar. En dan is daarmee de kous af, jammer van het openbare schavot, maar we konden niet anders.

Echt?

Want was er geen vertrouwenspersoon of klachtenloket? Zo nee, moet zoiets dan niet als de donder worden ingesteld? En zo ja, waarom gingen de getroffen orkestleden – die zich pas later aansloten bij de twee zangeressen uit de VS – daar dan niet meteen naar toe? Functioneert zo’n loket dan wel naar behoren?

En moet dáárover dan geen opening van zaken worden gegeven?

Want dit ging wel erg snel, meisjes en jongens van de directie. Of jullie niet wisten hoe vlug je een gloeiendhete bitterbal moesten uitspugen.

Ik zie boter op hoofden van organisaties, overal ter wereld trouwens.

Zolang die daar blijft zitten, blijf je publiekelijk hete ballen uitspugen en handen in onschuld wassen.

En daar schieten we geen bal/zak/fluit mee op.

Oeps!

Goeie mensen, mijn pa en mijn favoriete meester van de lagere school. En al die anderen die mij goed Nederlands hebben bijgebracht. Dachten ze. En dacht ik.

Maar nu niet meer. Mijn respect voor de taal is kwijt. Mijn waardering voor het Nederlands mist. Allemaal door mijn taalgenoten, want hun doen tegenwoordig percies waar hun zin in hebben. Bij de krant waar ik werkte, ben ik nog wel eens ingezet als taalcoach. Maar helaas, al mijn moeite was voor niks, als zorgvuldig taalgebruiker zijnde.

Nooit ‘als zijnde’ zeggen, zei mijn pa zaliger. Hij zei ook: laat je nooit tatoeëren, dat doen alleen proleten. Wist hij veel. Dat was toen.

Wat had ik m’n eiges een hoop moeite kunnen besparen. Ik in de bocht, tijdens zo’n taalcursus voor collega’s: „Schrijf wel: het aantal studenten die zakken. Schrijf niet: het aantal studenten dat zakt. Immers, het aantal zakt niet, de studenten zakken. Het aantal stijgt misschien wel.”

Een van mijn stokpaardjes was dat. Niet meer. Taal is helemaal niet hoe het hoort. Taal is hoe het gaat. Als bijna alle Nederlanders vinden dat na ‘het aantal studenten’ altijd ‘dat’ met enkelvoud komt, dan is dat zo, want de meerderheid hebben gelijk. Het kan niet bommen dat je dan van een kouwe kermis thuiskomt als je zo’n tekst bijvoorbeeld in het Duits vertaalt: ‘Die Zahl der Studenten, die durchfallt’. Dat is toch echt fout.

Democratie als natuurfenomeen zijnde: zoals de meerderheid praat, zo klopt het. Ik buig deemoedig het hoofd. Ik ben een minderheid. En zit dus altijd fout.

Nog zo’n stokpaardje. Tijdens mijn taalcursusje vroeg ik wat hieraan merkwaardig is: het meisje die haar hond uitlaat. ‘Dat’, riepen mijn redactiecollega’s in koor, ‘het meisje dat’ en niet ‘het meisje die’.

„Waarom is het dan ‘haar’ hond?”, vroeg ik dan. „Ja, nogal wiedes”, zeiden ze dan, „want de hond is van dat meisje, een vrouw, dus is het ‘haar hond’.”

„Wacht even”, bracht ik daar dan tegenin, „dus je zegt ‘het meisje dat‘ omdat meisje onzijdig is en ‘haar hond’ omdat meisje vrouwelijk is? Dus de ene keer zus, de andere keer zo?”

De blik waarmee mijn collega’s mij aankeken, spraken boekdelen. ‘Idioot’, stond erin geschreven.

Dan bracht ik weer het Duits in stelling. Ten oosten van ons is correct: das Mädchen und sein Hund.

Na die uitleg veranderde er niets in de blik van mijn collega’s.

Dus heb ik mijn strijd maar opgegeven. Hier zit niet eens een pyrrusoverwinning in. Tegenwoordig verbijt ik me stilletjes bij matroesjka, één blini, dodelijke slachtoffers, zoals het er nu naar uitziet, passagiers worden verzocht, dementíé en nog veel meer. In plaats van matrjosjka, één blin, omgekomen slachtoffers, zoals het er nu uitziet, passagiers wordt verzocht en deméntie. Of zeggen jullie ook defensíé, retentíé en politíé?

Dus ik zwijg en erger me. Pavlovreflex, tja, wat doe je eraan.

Maar als ik zelf schrijf is het: Lang leven de Oranjes! (niet: lang leve!), Amsterdam en zijn burgemeester (niet: haar), om maar wat voorbeelden te noemen. Ik streef naar zo optimaal mogelijk taalgebruik.

Oeps!

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Politie en zelfservice

Tas gestolen achter je rug, terwijl je op een terrasje zit. Op naar de politie. Die laat weten er geen werk van te maken. Het overkwam mijn dochter in Amsterdam.

Het kan erger. Een jaar geleden fietste een jonge vrouw in Hoorn na een avondje stappen naar huis. Een Somalische vluchteling sleurt de vrouw allesbehalve hypercorrect de bosjes in om haar te verkrachten. De Hoornse weet zich los te rukken. Verward rent ze over straat. Een taxichauffeur brengt haar naar huis. Daar ontdekt haar moeder klodders sperma in het haar van haar dochter. In het ziekenhuis blijkt dat ze een hersenschudding heeft, kneuzingen op haar dijbeen, keel en strottenhoofd. Haar telefoon blijkt zoek.

Wat doet de politie? „Wij kunnen niet veel doen.”

Daar laat de vrouw het niet bij zitten. Dankzij de app Find my iPhone localiseert ze haar toestel. Via haar account blijkt de verkrachter op de chatsite Badoo naar scharrels te zoeken. Ze veinst interesse en vraagt om zijn foto. Bingo! Pas dan komt de politie in actie. Vijf maanden na het voorval wordt de man in de kraag gevat. Dankzij de doe-het-zelfactie van het slachtoffer.

Mijn dochter is, gelukkig in mindere mate, ook gedupeerd. In haar tas zit onder meer haar paspoort. Doordat ze zich niet meer kan legitimeren, loopt ze haar rijexamen mis. Ook beschikt de zwerver nu over haar huissleutel.

„Hé, dat is een van de zwervers die onder onze flat slapen”, zegt een vriendin als mijn dochter haar een foto laat zien van een bewakingscamera van het eetcafé. „Te vaag”, zegt de politie, „daar kunnen we niets mee.”
„Kunt u misschien betere foto’s opvragen bij het café?”, oppert mijn dochter.
„Doe zelf maar”, antwoordt de politie.

De man aanspreken doet mijn dochter niet. „Het is een engerd. En als hij weet bij wie die sleutel hoort, ben ik bang voor ongewenst bezoek.”

Dan maar weer naar het eetcafé. Zijn er misschien scherpere foto’s? Ja, alsjeblieft, en ook een video-opname. De eigenaar geeft de foto’s graag mee. Ze hebben al langer problemen met dergelijke figuren, maar als ze er melding van maken, gebeurt er nooit iets mee. Nu eindelijk wel.

De politie kan er niet meer omheen en komt in actie. De man wordt opgepakt. Hij draagt het paspoort van mijn dochter bij zich. Die kan ze op komen halen, meldt de politie. De rest is onvindbaar. De politie weigert nadere bijzonderheden te geven. Die moet mijn dochter volgende week maar zien te weten te komen als de man voor de rechter staat, maar daar gaat ze niet naartoe. „Te eng.”

De zelfservice bij de politie is uitstekend. Misschien moet Den Haag inderdaad iets aan de capaciteit doen?

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Ladekastjes

Het geheugen is maar een raar ding, dat er niet op vooruitgaat naarmate je ouder wordt. Ik maakte daar al vroeg kennis mee, in 1963 op school, toen op de gang een oudere leraar van wie ik geen les had, voor de zoveelste keer dezelfde vraag stelde.

„Dag meneer”, zei ik.
„Dag jongen, hoe heet jij?”
„Dat heeft u al een keer gevraagd, meneer”, antwoordde ik in mijn jeugdige onschuld.
„Naar de rector”, brieste de man.
„Dat was zeer onbeleefd van jou, jongeman”, zei de rector. „Zul je het nooit meer doen?”

Een paar jaar eerder, zo rond mijn tiende, had mijn vader of moeder mij al eens verteld dat oude mensen vaak dingen vergeten. Maar, dacht ik, ik vergeet ook wel eens dingen. Dat moet ik onthouden voor later, anders denk ik straks nog dat het door mijn leeftijd komt.

Mijn geheugen stikt van de bekende en onbekende gaten. Over de onbekende gaten kan ik helaas geen mededelingen doen, maar bekende gaten zijn bijvoorbeeld bepaalde mensen op wier naam ik vroeger stelselmatig niet kon komen, zoals Sandra Bullock en Meg Ryan. Dat ergerde me mateloos, dus heb ik ze uit mijn hoofd geleerd.

Het kan nog gekker. Als je mij op het verkeerde moment naar mijn telefoonnummer of adres vraagt, kan het zijn dat ik er niet op kan komen. Zo’n verkeerd moment was bijvoorbeeld die keer dat ik wegens gebrek aan plek bij een Amsterdams hotel waar ik iets op moest pikken, mijn auto op een vluchtheuvel had gezet. Toen ik terugkwam, stond een agent een bekeuring uit te schrijven.

„Waar woont u?”, vroeg hij.
Ik noemde de straat. En kon, kwaad en verbouwereerd als ik was, prompt niet op het huisnummer komen. Ik gaf een fout nummer. De bekeuring kwam gewoon aan met de post.

„Mijn geheugen wordt slechter”, zei een vriend op zijn 56e. Hij stierf later dat jaar. Ook anderen in mijn omgeving klagen over de onbereikbaarheid van ladekastjes in hun hoofd.

Aan geheugengoeroes geen gebrek. Vitamines, voedingssupplementen, trucs, geheugentrainers, vaker lachen – tips te over. Zelf geloof ik er niet in. Zodra de fysieke veroudering de grijze massa bereikt in de vorm van plaques of gaten, moet je het met minder doen dan voorheen. Je kunt het restant trainen en op een bepaald vlak je denkprestaties wat opvijzelen, maar de pest is dat de training voor elk foefje anders is en zonder effect voor andere taken.

Lariekoek denkt u misschien, dit verhaal van mij? Vergeet het maar.

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Tim

De alarmbel was al een aantal malen afgegaan, maar in mei 2017 was het gerinkel niet meer te stoppen. De oudste van twee tantes, tijdelijk voogd van de negenjarige Tim, kon de zorg niet meer opbrengen. Het jongetje was al ettelijke malen tussen zijn drankzuchtige moeder en haar oudste zus heen en weer gekaatst en het gebrek aan een vaste honk had hem balsturig gemaakt. Zijn tante, een zestiger, had thuis een man te verzorgen die totaal verlamd was geraakt na een beroerte.

„Tim moet naar een weeshuis”, zei Tims jongste tante, mijn echtgenote, over de telefoon vanuit Moskou.

„Dan vangen wij hem op”, was mijn reactie. Probleempje: hoe neem je een Russisch kind in je gezin op als je in Duitsland woont? Dat leek me lastig. Hoe lastig het in de praktijk daadwerkelijk bleek, leest u in dit feuilleton.