Afscheid

2020 is een geweldig jaar om afscheid van te nemen. Zo veel nare onzekerheid over zo’n lange periode kan ik me in mijn bestaan niet herinneren. 2021 kan alleen maar beter worden. Dat wil zeggen – corona volente. Wie weet wat dat valse virus voor ons nog in petto heeft.

Met afscheid nemen heb ik wel wat ervaring. Als je lang genoeg leeft, moet je je ouders ooit vaarwel zeggen. In mijn omgeving heb ik collega’s uit de muziek en uit de journalistiek zien gaan. Familie, vrienden, buren, zelfs beroemdheden die ik als journalist ooit de hand mocht schudden, zoals Boris Jeltsin en Billy Graham — ze staan op een lijstje dat ik bijhoud. Dat lijstje stopt pas met groeien als ik zelf aan de beurt ben.

Er is een afscheid waar ik nogal moeite mee heb. In mijn jonge jaren redeneerde ik zo: wij mensen zijn allemaal gemaakt van hetzelfde spul, dus uiteindelijk komen we allemaal uit op hetzelfde punt. Naar dat punt wees een pijl die kan bestaan dankzij het hoogste wat de mens bezit: het vermogen rationeel te zijn. Op den duur wordt de mensheid verstandig, schrapt zij geloof en ander bijgeloof op het pad der verlichting. Weg van egoïsme, narcisme, groepsdenken, nationalisme, racisme en meer van dat fraais. Alle Menschen werden Brüder! En zo.

Tot 2020 was er van mijn kinderlijke naïveteit voldoende afgebrokkeld, maar het coronajaar gaf de nekslag. Weltschmerz greep om zich heen binnen mijn kennissenkring en de krankzinnige hoeveelheid krankzinnigheid die dat losmaakte bij mensen die ik hoger had ingeschat bracht mij ertoe om het contact met een flink aantal mensen te verbreken. Ook met mensen die ik anderszins hoog heb zitten, bijvoorbeeld als muzikant.

Het enige pluspunt aan corona is dat de oranje clown uit het Witte Huis verdwijnt. Niet voor niets maakte hij al ruim voor de verkiezingen misbaar over stemmen per brief, dankzij de pandemie, want hij wist dat vooral zwarte kiezers die door de Republikeinen steevast van de stembus worden weggehouden door trucs als schrappen van stembureaus opeens een kans hadden mee te doen. Hij zag het aankomen, verzette zich met hand en tand, vond de wet tegenover zich en dolf het onderspit. Dank je, Amerika! Dank je, corona!

Jammer ook dat ik veel eerder al afscheid had moeten nemen van de illusie dat Rusland na de teloorgang van het Sovjetrijk een normaal land zou worden. In 1989 rommelde het in het Oostblok en in een nieuwjaarsliedje voorspelde ik de val van de Berlijnse muur. Niet alleen de muur viel, maar ook de meeste communistische regimes. Hoopgevend, dacht ik. De hoop is vervlogen. Polen en Hongarije zijn akelige landen geworden. In Moskou worden kritische journalisten en politici vermoord of vergiftigd. Het nooit eindigende sprookje waar mijn groep Diesel in 1989 met de nodig ironie over zong gaat het niet worden. (Klik HIER voor de video.)

Gelukkig nieuwjaar – C Новым Годом! Wens ik eenieder, mijn hart vasthoudend.

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Groot groeien

Als ik later groot zou zijn, was ik lekker de baas. En zou ik alléén nog maar boterhammen met boter en suiker eten. Mijn vader schoot in de lach, toen ik dat vroeger zei. „Dat lust je dan niet meer”.

Ik ben nu groot en het klopt, al vergeet ik de verrukking van toen nooit.

Het fotoboek in mijn hoofd is rommelig en niet chronologisch ingeplakt. Dus dat werd bladeren, maar ik kon verder niks vinden over ‘later-als-ik-groot-ben-plannen’. Daar was ik naar op zoek vanwege grote mensen uit het dagelijks nieuws. Ze vallen nogal op, omdat ze zich niet gedragen als grote mensen. Wat zouden hun ‘later-als-ik-groot-ben-plannen’ zijn geweest? Ik denk opvallen en dat is dan gelukt.

Ik noem verder geen namen, maar er is er eentje die opvalt vanwege zijn taakopvatting van Tweede Kamerwerk. Daar vallen onder: zwetsen in het Latijn; verkleden (soldaatje); pianospelen (op een echte vleugel!); lavendel snuiven; coke snuiven. En niet te vergeten: Maradona aftroeven betreffende alcohol en cocaïne.

Lanterfanten dus. Maradona kon tenminste nog voetballen.

„Waar komt jouw kruistocht tegen het antisemitisme vandaan?”, vroeg het joch aan iemand. Die zei dat iedereen toch tegen antisemitisme was, waarop hij zei „bijna iedereen die ik ken is antisemiet”. Dan ken je een hoop rotzakken, zou ik zeggen.

Wat mij – naast dat antisemitisme – schokt is dat hij denkt dat iedereen zo is en dat hij geen benul lijkt te hebben van de ernst. Alsof het over masturberen gaat: wát nou, iederéén doet dat toch?

Iets verder van hier loopt er nog zo eentje rond. Ik herinner me zulke kinderen van vroeger: verliezen en dan moord en brand schreeuwen dat de ander doet wat ze zelf doen: vals spelen. Op het schoolplein kinderen betasten, schoppen en bespugen. En dan – na die verdiende knal voor hun harses – gaan janken dat ze niet meer op zijn partijtje mogen komen. Joepie! Eh, jammer.

Die van hier heeft goed naar die van daar gekeken: media liegen en iedereen speelt vals. Er komen er steeds minder op zijn partijtje:  een net zo’n over het paard getild rotjoch als hij, plus een paar verdwaasde angsthazen.

Ik weet trouwens niet of de oude vriendjes wél groot gegroeid waren. Misschien was dit hun laatste groeispurt. Ze hadden er wel eerder achter kunnen komen dat het niet slechts koket studentikoos gebral is, als je jouw poepkleurige theorettes over cultuur staat uit te venten.

Maar goed, nu tegen antisemitisme en racisme en daar hou ik ze aan.

Zij zijn groot en hij blijft klein.

Blij links

Nou hoor je wel eens zeggen dat wij mensen tegenwoordig lijden onder de overdaad aan informatie. Bij het woord informatie stel ik me altijd iets nuttigs voor: hoe je een kastje in elkaar zet, hoe je een appeltaart bakt, hoe je een fietsband plakt, hoe laat je trein gaat en hoe je (niet) zwanger wordt. Met informatie hierover heb je de meest urgente zaken van het leven toch wel zo’n beetje in het snotje.

Maar nou wil het geval dat er verder nog best wel veel gebeurt in de wereld. Informatie daarover valt nog wel te verstouwen, al moet ik bekennen dat het mij niet altijd lukt om af en toe ‘Nou én!’ te roepen of het stoïcijns te nemen voor wat het is – een gebeurtenis. Dus ik sta al op achterstand.

Maar al die meningen! Waarom het precies was, weet ik niet meer, maar ik bedacht eens dat je als stukjesschrijver beter niet kon ingaan op de actualiteit. Ter voorkoming van wéér een mening, zoiets. Want die heeft iedereen al. Zelf lees ik graag stukjes van anderen, mening of niet. Onder sommige daarvan kun je reageren en je raadt het al: allemaal meningen over een mening. En daar hebben we dan ook weer een mening over, ik ook.

Mening-aerosolen verspreiden zich als een zeker virus, welks naam ik hier niet wil noemen.
Maar goed, ter voorkoming van mentale overbelasting ga ik voortaan voor de Stoa. Stoïcijns zijn vind ik namelijk een stuk stijlvoller dan ‘Nou en!’ roepen.

Zijn stoïcijnen eigenlijk wel eens blij, trouwens? Zo van dat ze met een uitgestreken gezicht zeggen dat ze enigszins verheugd zijn? Dan heb ik nog wel een weg te gaan.

Ik was namelijk niet zo lang geleden héél blij en ontroerd toen ik zag hoe ergens in de wereld op straat heel veel mensen óók heel blij en ontroerd waren omdat heel veel mensen op een normaal mens hadden gestemd. Gelukkig een beetje méér mensen dan die heel veel mensen die op een zeker persoon hadden gestemd, wiens naam ik hier niet wil noemen.

En nou komt het: die blijdschap laat ik niet vergallen door nogal wat sombere linkse kameraden van me, achter hun eeuwig halflege glazen. Ze voorspellen dat er niks van de linkse agenda terecht zal komen.

Nee, denk je? Vergeef me de stromanredenering, maar je hebt dus liever weer vier jaar een malafide topidioot die ze om te beginnen eens zijn bepotelde telefoon zouden moeten afpakken?

Mijn glas is halfvol en ik hef het bij deze.
Blij links bestaat namelijk ook.

Vaardigheden

„Gaan we zó?’, vraag ik haar, want ik weet het niet. Een enthousiast ja is het antwoord.

Mijn lief, haar opa, had mij de kortste weg gewezen vanaf de speeltuin naar het huisje in het Waterland, waar ze nu even woont omdat haar Amsterdamse huis verbouwd wordt. Opa en oma passen op haar en haar broer, omdat papa en mama er in het weekend tóch maar even zelf een plafonnetje uit zijn gaan slopen.

Dat laatste lijkt een heel werk, maar ergens de weg vinden valt ook niet mee.

Mijn kleindochter gaf met haar ‘ja’ aan geen bezwaar te hebben tegen een leuke omweg, blijkt nu. Die had nog langer geduurd als ze niet had ingegrepen. „Het is daar, we moeten nu dáárheen”, zegt ze terloops, terwijl we het over iets heel anders hebben: zwemvaardigheden, óók belangrijk.

Die waren ter sprake gekomen op een van de talrijke bruggetjes. Ze begon er zelf over. Dat je niet in het water moet vallen en zo. Ik babbel met haar mee over zwemdiploma’s en dat het dan alsnog niet aan te raden is om in het water te vallen, zeker niet in de winter. Zij heeft bovendien nog geen zwemdiploma.

„Maar ik kan wéw zwemmen!’”(Haar voortanden overleefden het niet toen ze op een stoeltje ging staan zodat ze ergens wéw bij kon.) „Als papa mij woswaat, kan ik zwemmen!”

Het profijt van fel oranje hulpmiddelen rekent ze bij deze stellige bewering even niet mee, vermoed ik zo. En ik houd haar handje onwillekeurig iets steviger vast.

Ze heeft voor de ontwikkeling van haar vaardigheden en talenten nog alle tijd van de wereld. En een ferme voorsprong op haar grootmoeder: ik kan weliswaar zwemmen, maar aan land verdwaal ik steevast. Dat ik mijn hele leven al liefdevol wordt gegidst door jong en oud is fijn, maar ook een beetje confronterend. Deze gids moet bijvoorbeeld nog vier jaar worden.

Maar met dat zwemmen heb ík gelijk.

Cruciaal

Toen ik jong was, werden mijn woorden en daden nogal eens gefrustreerd door het krampachtig vermijden van partijdigheid. Dat hoorde toen zo, misschien nóg wel, maar ik durf inmiddels onbevangen partijdig te zijn, uit volle overtuiging.

Als je in de penarie zit, is er toch niks mooiers dan dat jouw vrienden en familie het voor je opnemen? Kom jij er maar eens om, zeg ik dan in gedachten tegen de moralisten.

Vanochtend zag ik in de krant een foto van een gezellig restaurant op de laatste avond vóór de sluiting van vier weken. De gastvrijheid spatte ervan af en de tranen sprongen me in de ogen. Empathie met de klanten, ja, maar mijn hart deed vooral pijn vanwege mijn horecafamilie. Wéér gaat het zwaar worden, maar de pijn zit hem er vooral in dat, in het puriteinse deel van de publieke opinie, de horeca nogal eens gezien wordt als een volstrekt overbodige sector waar mensen met te veel geld, geld verdienen aan mensen met te veel geld.

Terwijl het de sector is waar studenten hun kostje verdienen om te kunnen studeren. En waar koks en bedrijfsleiders gezinnen hebben bij wie gewoon brood op de plank moet komen. Dat geldt ook voor de eigenaren, die bovendien als werkgever de verantwoordelijkheid hebben hun bedrijf voor hun personeel in leven te houden.

Verderop in de krant kwam ik bij diezelfde verantwoordelijkheden – en de tranen – van Claudia de Breij, van wie haar première gepland was op de eerste dag van een gesloten Carré. Ja, oké, dertig bezoekers zijn toegestaan, zie je het voor je?

Dat horeca en cultuur hun best doen het uitgaanspubliek even de alledaagse en niet-alledaagse zorgen te laten vergeten, wil nog niet zeggen dat het zorgeloze bedrijfstakken zijn.

Het kan allemaal wel wat soberder, ik ben de laatste die dat zal ontkennen. Maar bedrijfstakken naar de gallemiezen zien gaan zonder een traan te laten, alleen maar vanwege het cliché dat al die luxe niet cruciaal is – nee.

Ik weet niet wat de overwegingen binnen het OMT waren om al één dag nadat Meester Rutte zo streng had gesproken, met een verzachtend voorstel voor het horecabeleid te komen. De zwabberkoers daargelaten, ben ik het ermee eens om hier op de schreden terug te keren.

Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, om ook maar eens een cliché van stal te halen.

En ja, ik ben partijdig en neem het op voor mijn horeca- en cultuurfamilie en alle horeca- en cultuurfamilies.

Kom er maar eens om.

Wrokdown

Lang, lang geleden – wij spreken nu over de maand januari van het Jaar des Heeren 2020 – behoorde ik nog tot het exclusieve groepje van 17 miljoen premiers van het Koninkrijk der Nederlanden. Ik was beslist graag in zijn schoenen gestapt, had hem op zijn neoliberale sokken naar huis gestuurd en was met mijn sociaaldemocratische visie het land gaan besturen. Daarbij zou ik alle deuren en vensters eens flink tegen elkaar hebben opengezet, zodat Europa ook weer een kans kreeg om aan te waaien.

Maar begin maart ben ik vol overtuiging opgestapt als beoogd premier.

Het enige wat makkelijk is in crisistijd, is fouten maken, en ik zou er al zoekend en onderzoekend veel meer gemaakt hebben dan Rutte, Van Dissel en het OMT.

De trend werd toen om je aan te sluiten bij de 17 miljoen virologen, maar die hebben het zonder mij moeten doen.

De lockdown heeft eerlijk gezegd niet het beste in mij wakker geschud: ik kreeg de zenuwen van die verstarde wereld in onnatuurlijke pose en ik was bloedchagrijnig.

Zoals het nu is, kun je het geen lockdown meer noemen, maar de wrok blijft.

En ik ben niet de enige, alleen uit zich dat bij sommigen anders. Je kon erop wachten natuurlijk, maar er verscheen een tijdje terug dus opeens een Engel die de Jezus ging lopen uithangen. Eerst met Viruswaanzin, totdat  hij bedacht dat dat een veel te nauwkeurige omschrijving was van Zijn Woord. De stap van  waanzin naar waarheid was snel gemaakt en de beweging is een doorslaand succes bij minigroepjes die in het pre-coronatijdperk al precies wisten hoe de niet-gevaccineerde hazen op onze platte aarde eigenlijk liepen: geknecht door onzinregeltjes van hogerhand.

Ik laat ze maar.

Eigenlijk zou deze column over mondkapjes gaan, zij het dat daar alles al over gezegd is, op één ding na: niemand had gezegd dat ze mij onwijs goed staan. En dan zou er een uitvoerig verhaal gevolgd zijn over de vraag waarom ze mij zo onwijs goed staan. Maar mijn jongste dochter zei laatst dat ze mij onwijs goed stonden, dus daarmee is nu écht alles wat ertoe doet over mondkapjes gezegd.

En mijn kriebeligheid begint ook minder te worden, dus misschien zal mijn volgende column nou eens niet over dat k*t-virus gaan.

Amusante rakker

Iemand doet aardig tegen je, maar hoe oprecht is dat? Je kunt mensen niet in hun hoofd kijken. Doorgaans. In het geval van Willem Oltmans is het me achteraf toch gelukt.

Wie wel eens een interview met de man op tv heeft gezien, zal hem niet licht vergeten. Kleurrijker en dwarser krijg je je gasten niet. Voor wie hem niet kent: Oltmans was een Tijl Uilenspiegel die de journalistiek gebruikte om bij vele groten der aarde over de vloer te komen en vervolgens als een soort privé-diplomaat Haagse bewindslieden in de wielen te rijden. Zijn bemoeienis met de kwestie Nieuw-Guinea in 1956 leverde hem de eeuwige haat van minister Luns van Buitenlandse Zaken op. Een arbritagecommissie oordeelde in 2000 dat de Nederlandse staat Oltmans jarenlang het werken onmogelijk had gemaakt en kende hem een schadevergoeding van acht miljoen gulden toe. Oltmans heeft er na jaren van armoe maar een paar jaar van kunnen genieten, tot zijn dood in 2004.

In november 1985 kreeg ik een telefoontje van De Telegraaf. Hun eigen man had samen met Oltmans en andere leden van de pacifistische Alerdinck Stichting naar Moskou willen reizen, maar geen visum gekregen. Telegraaf-mensen waren in het land der sovjets al jarenlang niet welkom. Dat ik vanuit Moskou stukjes voor die krant schreef, kostte mij uiteindelijk mijn verblijfsvergunning.

„De vredesduiven van Alerdinck zijn ruziënd naar Moskou vertrokken”, zei Henk de Mari, de persona non grata van De Telegraaf. „Zou jij ze op willen zoeken en kijken of er een verhaal in zit?”

Mijn slobbertrui stak dermate schril af tegen de maatpakken die het perscentrum van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Moskou binnenwandelden, dat ik mij snel uit de voeten maakte. Een rijzige gestalte hield mij op de valreep nog even aan en stelde zich vriendelijk voor:„Willem Oltmans. Bel me straks maar even in mijn hotel.”

„Knap van jullie vind ik dat altijd”, zei Oltmans toen ik hem belde. „Hoe jullie nu weer achter die ruzie zijn gekomen.” Met ‘jullie’ bedoelde hij De Telegraaf.

„Meneer Oltmans, ik wou u wat vragen.”

„Ik ben de oudste van ons tweeën en dus mag ik voorstellen dat we elkaar tutoyeren. Zeg maar Willem. Die trui van jou, dat kan echt niet. In mijn vrije tijd draag ik ook truien, maar voor zulke gelegenheden trek ik een pak aan. Mijn intimidatiepak, zo noem ik dat.”

„Snap ik. Daarom was ik meteen weg. Zeg Willem, de Russen beginnen moeilijk tegen me te doen. Ik denk dat ze me het land uit willen hebben. Kun jij je connecties eens polsen om te zien of daar wat aan te doen valt?”

„Ik zal kijken wat ik voor je kan doen. Kom er maar eens over praten bij mij thuis, als je in Amsterdam bent.”
„Dat is goed, als je maar wel weet dat ik dan geen pak aantrek.”
„O, dat is prima. Het liefst heb ik dat je helemaal niets aantrekt.”
„Dat gaat niet gebeuren”, verzekerde ik hem.
„Dat dacht ik wel ja, zoiets zie je, hè.” Hij klonk spijtig.

In zijn smaakvol ingerichte Amsterdamse appartement schonk hij koffie en thee, en onderwijl gaf hij af op de tafelmanieren van de slobberende Sovjet-journalist Aleksandr Bovin. Na ons gesprek was hij zo hoffelijk om mij persoonlijk met de tram naar het Centraal Station te begeleiden.

„Vroeger nam ik hier nog wel eens een jongen”, zei hij treurig, „maar dat durf ik niet meer.”
„Waarom niet?”
„Ik ben bang voor aids.”

Oltmans kon niets voor mij doen. Nog geen twee maanden later moest ik de Sovjet-Unie verlaten.

Al eerder schreef ik over deze ontmoetingen met Oltmans. Dat was in 2013. Mijn pogingen om in zijn dagboek te lezen wat hij over onze gesprekken had opgetekend, strandden. Dat deel was nog niet gepubliceerd. Onlangs kreeg ik de tekst onder ogen.

‘Ik probeerde Henk de Mari te bereiken, maar voor de verbinding tot stand kwam, vroeg een Telegraafmedewerker die in het hotel aanwezig was of hij me kon spreken. Hij heet Rob Vunderink en zei ook bij Progress Publishers in Moskou te werken. Dan weet je dus al hoe laat het is.’

Verderop, in de tweede en laatste alinea over mijn persoon, doet Oltmans opnieuw een beroep op het tijdsbesef van de lezer.

‘Deze Rob Vunderink, deze Telegraaf-man in Moskou, studeerde Russisch bij Karel van het Reve. Dan moet je intussen echt wel weten hoe laat het is. Hij verscheen op de receptie van Lurvink als een complete hippie om de sovjets te treiteren, zo van het Monument op de Dam weggelopen. Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven. Volodja vertelde dat zijn visum na januari niet zou worden verlengd.’

De zakenman Lurvink was de initiatiefnemer van de particuliere vredesmissie. Volodja Moltsjanov werkte als journalist bij de staats-tv en had Nederlands gestudeerd. Een jaargenoot van Moltsjanov legde bij het horen van diens naam zijn rechterhand op zijn linkerschouder. Dat gebaar was een code: KGB.

Dankzij Oltmans weet ik nu eindelijk waarom ik medio jaren zestig mijn haar lang liet groeien: niet als Beatlesfan, maar om twee decennia later de sovjets te kunnen treiteren. Dan moet je intussen echt wel weten hoe laat het is.

Het voordeel van de twijfel dat ik de alom verguisde Oltmans tot dusver had gegund, is verdampt. Maar een amusante rakker, dat blijft hij.

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Mjoeningof

Hij stond op het punt naar Moskou af te reizen, Alexander Münninghoff, in de rol van correspondent voor de Haagsche Courant en de overkoepelende persdienst GPD. Zelf kwam ik er net vandaan, na een tweejarig verblijf. Via de telefoon maakten we kennis. Dat was in 1986.

„Hoe is het om te wonen en werken in Moskou?”, vroeg hij.
„Het is een verschrikking.”
„Wij moeten koffie drinken.”

Dat deden wij bij De Posthoorn in Den Haag. Mijn verschrikking bestond uit de stroefheid van de Sovjetheilstaat, waar niks kon en de winkelschappen leeg waren, waar telefoneren naar het buitenland betekende dat je urenlang moest wachten op een telefoniste die je al dan niet zou gaan verbinden. En uit het feit dat ik na twee jaar het land werd uitgeknikkerd als Sovjetvijand wegens kritische stukjes in de krant. Met dat soort zaken zou Alexander ook te maken krijgen. Maar zijn verschrikking zou uiteindelijk groter uitpakken: drie jaar later verloren Alexander en Ellen er hun zoontje Floris, acht maanden oud.

In Moskou ging er al eerder iets mis. Alexander kreeg ruzie met de GPD. „Te duur voor wat je levert, dus we stoppen met jou”, besloot directeur Paul Hollaar.
„Als ik die ooit voor mijn auto krijg, geef ik gas”, vertrouwde Alexander mij toe.

Eigenlijk ervoer hij het feit dat hij moest werken voor de kost als een onrecht. Zijn weinig scrupuleuze grootvader had zakelijk goed geboerd in Letland, later in Nederland, en een leven als patriciër vond Alexander beter bij zichzelf passen. Voor zijn vader, een zakelijke nul die als Waffen-SS’er aan het oostfront had gevochten in de hoop de Russen te verslaan om vervolgens het Letse familiebezit terug te pakken, schaamde hij zich. Intussen herhaalde hij graag en vaak hoe zijn vader patsers typeerde: „De domste boeren hebben de grootste lullen.”

In de nadagen van de Sovjet-Unie heeft Alexander nog met de gedachte gespeeld een poging te wagen om de Letse bezittingen terug te krijgen, maar dat zat er niet in.

Dankzij zijn overstap naar een andere regionale persdienst, de Zuidoost Pers, kon Alexander in Moskou blijven. En toen ik als correspondent voor Het Parool derwaarts toog, bood hij mij een plek in zijn kantoor.

Dat was in 1989, nadat Floris al was overleden. De baby was ziek geworden en Moskouse artsen lieten het afweten, dus pakte Ellen met haar zoontje het vliegtuig naar Nederland. Te laat. „Door de Russen zijn we onze zoon kwijt”, fulmineerde Alexander bij de uitvaart.

Dat zou heel goed kunnen. Ook Telegraafcorrespondent Marten Levendig had heel misschien nog geleefd als hij, toen hij ziek werd, niet in Moskou was geweest, waar Russische artsen in 1991 een aneurysma misten. Zij zagen op een foto een bloedplas als gevolg van een gescheurde aorta aan voor een tumor achter het hart.  Krijtwit en steenkoud stierf de 30-jarige Marten onbehandeld op een gang in het Botkinziekenhuis. Moederziel alleen, want het personeel had zijn vrouw Willie weggestuurd. Toen ik later de geneesheer-directeur hierop aansprak, zei hij dat mensen het liefst alleen sterven ‘want hoe vaak gebeurt het niet dat de familie aan het sterfbed gaat ruziën over de erfenis?’

Ondanks het grote verdriet om hun zoontje was er toch een moment dat Ellen en Alexander in lachen uitbarstten. Dat was, zo vertelde hij, nadat de uitvaartondernemer in een poging deftig te klinken de diensten aanbood van een ‘beeldhouder’.

Op werkdagen kwam Alexander rond tien uur naar kantoor. Na „Goede morgen” volgde: „Wat heb ik toch een kutleven.” Half schertsend, half menens. Hij haatte bureauklussen, journalistiek handwerk vond hij gefrutsel.

De telefoon gaat. „Gollandski korpoenkt.” Zo moesten we van hem de telefoon aannemen: Hollands correspondentiepunt. En dan: „Hè bah, het zijn die nitwits van de AVRO.”

Toen ik op kantoor eens bij wijze van intermezzo ‘Fawlty Towers’ opzette – voor Alexander een primeur – wilde hij meteen de hele serie zien. Werkdag ten einde. Ik hoor nog zijn bulderlach toen Manuel – ‘he is from Barcelona’ – namens hoteleigenaar Basil Fawlty bij een vermeende hotelinspecteur die slechts handelaar in lepels bleek te zijn bij diens vertrek een slagroomtaart in zijn gezicht en kruis drukte.

Soms waren we het oneens en ontstond er een discussie. Die nam niet altijd een zinvolle wending.
„Als wij gaan schaken”, flapte Alexander uit, „versla ik jou met mijn pink.”
„Gitaarduelletje doen?”, stelde ik voor. „Speel ik je finaal onder de tafel.”

Donderdag 14 december 1989 was voor Alexander een inktzwarte werkdag. Wreed werd zijn rust verstoord door Sacharovs dood. Stampvoetend liep hij door zijn kantoor, wanhopig zocht hij naar de juiste knipselmap in de rommelige dossierkast waar het alfabet geen rol van betekenis speelde. Onvindbaar. Op dan maar naar het Loezjniki Stadion, waar Jelena Bonner, de kersverse weduwe van de oud-dissident en latere parlementariër, een menigte toesprak. Dit soort klussen waren aan Alexander niet besteed. Te veel gedoe.

Schone schijn was belangrijk voor hem. Als man die graag verkeerde onder politici, diplomaten, artsen en notabelen in het algemeen wilde hij zich altijd van de beste kant laten zien. Dat principe gold ook voor zijn werk. Toen we in 1990 samen Jeltsin interviewden over diens autobiografie ‘Getuigenis van een opposant’, zou Alexander de vragen stellen en ik het verhaal schrijven. „Wacht even”, foeterde Jeltsin op zeker moment, „begrijp ik nou goed dat jullie mijn boek niet hebben gelezen? Wat doen jullie dan hier?”

Alexander trok bleek weg en begon te stotteren. Dus greep ik in: „Sorry, meneer Jeltsin, maar dan moet u toch echt bij uw uitgever zijn, want die heeft verzuimd ons uw boek toe te sturen.”

Jeltsin grinnikte. Hij vond die tegenspraak wel leuk. Dat nam ik op in het stuk, maar Alexander schrapte de passage. „Je moet als journalist altijd je eigen tekortkomingen verhullen”, zei hij belerend. En zo is de lezer een grappige anekdote over Jeltsin onthouden, omwille van Alexanders schone schijn.

Toen ik een keer naar de Georgische hoofdstad Tbilisi ging, vroeg hij mij vooral de groeten te doen aan Irakli Tsereteli, een schimmige politicus. „Geweldige vent. Toen ik afscheid van hem nam, herkende ik aan de bobbel in zijn broekzak een pistool. Haha, ik ben erachter gekomen dat ik een zwak heb voor schurken.”

Naar Alexanders sores, zakelijk of privé, hoefde je nooit te raden. Die gooide hij er spontaan uit. Eens had de onverbeterlijke romanticus vanuit Zuid-Amerika een groot mes meegenomen om terug in Nederland een rivaal uit te schakelen die zijn vrouw had verlaten omwille van Ellen. Toen de man aan het kortste eind had getrokken en, gescheiden en wel, op een eenzaam kamertje was beland, kreeg Alexander medelijden. „Hij was er veel slechter aan toe dan ik. We zijn bevriend geraakt.”

Alexander droeg het hart op de tong. Het is een misverstand om te denken dat zo iemand dan ook het achterste van zijn tong laat zien. Niet alleen stille wateren hebben diepe gronden.

Zo was de reputatie van ‘Mjoeningof’ in zijn werkland raadselachtig. Schaker Garri Kasparov weigerde hem een interview. Waarom? Ik vroeg het de wereldkampioen via een tussenvriend. Kasparov: „Hij heeft een staart.” Het hebben van een staart – Russisch: chvost – betekende dat iemand in zijn kielzog een sliert KGB’ers meesleept. Mij ontving Kasparov kort daarop in zijn flat, dus kennelijk had ik geen ‘chvost’.

Dan de reden waarom Alexander de post Moskou opgaf. „Een opzetje”, gaf hij als verklaring. „Ik had ergens wat gedronken en toen ik met de auto naar huis reed, was er opeens controle. Er dreigde strafvervolging, maar dankzij onze ambassade heb ik toen met de Russen kunnen afspreken dat ik aan het eind van het jaar zelf zou vertrekken en dan zouden zij de zaak laten rusten.”

Waarom een opzetje? Wat had hij geflikt? Het was hem eind 1988 gelukt, aan de vooravond van Gorbatsjovs bezoek aan de VN in New York, wereldkundig te maken waar de Sovjetleider mee ging komen: eenzijdige troepenreductie. „Mijn bron had me al vaker getipt”, zei Alexander, „maar ik durfde publicatie steeds niet aan. Elke keer bleek de tip te kloppen, dus ditmaal besloot ik het erop te wagen.” Een enorme scoop, die twee dagen later de rest van de wereld bereikte via Radio Nederland Wereldomroep, een van zijn afnemers. Wellicht waren de Russen hier niet blij mee geweest?

Mogelijk wisten of vermoedden de Russen dat Alexander inlichtingenwerk voor Nederland wilde verrichten? Dat had zeker bij zijn romantische en avontuurlijke inborst gepast. We zullen er waarschijnlijk nooit achter komen hoe het precies zat. Hoe dan ook, al te ernstig kunnen zijn ‘misdaden’ niet geweest zijn, want later kreeg hij gewoon weer een visum.

Hij hield van Rusland, hoopte op vooruitgang, maar vreesde het ergste. „Het wordt hier nooit wat, met dit menselijk materiaal”, verzuchtte hij eens. Met de jaren raakte hij overtuigd van de noodzaak van een harde hand. Zonder iemand als Poetin zou Rusland opnieuw aan chaos ten prooi vallen. Uiteindelijk ging Alexander zelfs mee in Russische propaganda, zoals het verwijt dat het Westen de belofte had gebroken de NAVO niet te zullen uitbreiden. Tsja. Er zijn aanvankelijk wel westerse bewindslieden geweest die hardop de persoonlijke mening verkondigden dat er volgens hen geen uitbreiding zou komen, maar officieel is zoiets nooit vastgelegd en de Russen hebben er ook nooit om gevraagd.

Over zijn Moskouse tijd schreef Alexander ‘Tropenjaren in Moskou’. Voor dat boek was eerst nog een andere titel voorbijgekomen, waarmee hij aangaf hoe hij dacht over Gorbatsjovs hervormingen: ‘Kut met perestrojka’. Was wel een stunt geweest, die titel.

De slavist Münninghoff had het op de universiteit slechts geschopt tot kandidaat. Het doctoraal had hij laten zitten, want: „Ik had geen zin om een scriptie te schrijven over de invloed van de stroomversnellingen in de Wolga op de ontwikkeling van de zeventiende-eeuwse Russische literatuur.” Decennia later kwam er dan toch een scriptie, over de eeuwig dissidente filosoof-schrijver Aleksandr Zinovjev. Eindelijk mocht hij zich dan toch doctorandus Münninghoff noemen.

Of er een hiernamaals is? Alexander sloot het niet uit. Dit paste wel in zijn hang naar mystiek. Dat er van de acht door hem en Ellen aangestoken kaarsjes in een Armeense kerk vijf uitdoofden – alleen die voor zijn drie dode kinderen bleven volgens hem branden – moest toch iets betekenen? In een Moskous casino waar hij met enige regelmaat ging gokken, kreeg hij ooit ruzie toen er op zijn inzet niet werd uitgekeerd. „Hier lagen mijn fiches”, brieste hij met zijn dronken kop, „ik zet altijd in op hetzelfde getal, want dat is de verjaardag van mijn zoon.” Hij werd uit het pand verwijderd.

Er waren ups en er waren downs, maar Alexander Münninghoff, die dinsdag op zijn 76e dit aardse tranendal verliet, heeft een fantastisch en rijk leven gehad met als kroon op zijn werk de bestseller ‘De stamhouder’. Hij had weliswaar veel meer uit het leven willen halen, maar dat is logisch, want romanticus ben je niet voor niets. Een geweldige collega, een warm mens, is niet meer.

Gospodin Mjoeningof, vaarwel!

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Bekentenis

Het mooie aan complotten is dat ze bijna altijd mislukken. Nou ja, de moord op Caesar lukte wel, maar de machtsconcentratie die zijn moordenaars hadden willen breken, bleef bestaan. Octavius werd als keizer Caesar Augustus na de moord nog machtiger dan zijn adoptievader.

Rond de moord op Kennedy kun je een heel ingewikkeld verhaal verzinnen, maar van Lee Harvey Oswald kom je niet zomaar af. Misschien had de man in z’n uppie gehandeld. Of misschien had hij met anderen samengespannen. Hoe het precies is gegaan, weten we niet. Al zijn er slimmeriken die het wel weten, maar het probleem daarbij is dat allerlei theorieën over de moord elkaar uitsluiten. Wil de echte slimmerik opstaan?

Elke slimmerik weet wie de echte slimmerik is: de slimmerik zelf. Het leuke is dat argumenten in het tegendeel kunnen verkeren. De film die omstander Zapruder maakte van de moord is ofwel het bewijs van een complot ofwel het bewijs dat er met die film geknoeid is. Altijd prijs!

Grandioos is de samenzwering van de vrijmetselaars. Al sinds mensenheugenis proberen ze de samenleving eronder te krijgen en het is nog steeds niet gelukt. De Illuminati zijn nog langer bezig en hebben ook nog geen deuk in een pakje boter geslagen. De Bilderberggroep dan? Bakt er ook vrij weinig van. Dat gezelschap was eens niet bij machte medeoprichter prins Bernhard voor het Lockheedschandaal te behoeden.

Sneue lui, die samenzweerders. Niks lukt. Maar eh… Wie verspreidt de theorieën? En wie gelooft ze?

De gelovigen zijn onderwerp van menige studie. Enkele dingen vallen op. Lageropgeleiden zijn er vatbaarder voor. Psychologen stellen vast dat analytisch denken niet de sterkste kant is van mensen die in complotten geloven. Verder valt op dat mensen die in één complot geloven, ook vatbaarder zijn voor andere complotten. Het gaat kennelijk om een neiging die persoonsgebonden is.

Waarom zou je in een complot geloven? Het antwoord is simpel: uit wantrouwen. De complotdenker wantrouwt de overheid, politici, wetenschappers en de pers. George Soros en Bill Gates zijn belangrijke namen onder de slechteriken, nu ook weer, tijdens de coronacrisis. Wat door de overheid en de ‘mainstream media’ wereldkundig wordt gemaakt, dient slechts het eigenbelang van de heersende klasse.

En als zij de onwaarheid brengen, is de waarheid dus een andere. Wat doe je dan als argwanende burger? Je gaat op onderzoek uit en legt met behulp van geestverwanten de echte waarheid bloot: dat er krachten aan het werk zijn in binnenland, buitenland en het heelal. Krachten die erop uit zijn het volk dom te houden en te knechten, eventueel uit te roeien. Met vaccinaties, met witte strepen achter vliegtuigen in de blauwe lucht – chemtrails. Met virussen, gekweekt in duistere laboratoria waar ook ter wereld.

Niet iedereen is slim genoeg om de snoodaards te doorzien. De grote massa laat zich als schapen naar de slachtbank leiden. Tsja, als je dom wilt zijn, slaap dan maar lekker verder! Je komt er nog wel achter!

Complotgedachten zijn niet het exclusieve domein van lager opgeleiden. Dr. ir. Coen Vermeeren geeft lezingen over ufo’s. Nou geloof ik ook wel in ufo’s, want niet elke object dat in de lucht wordt waargenomen, is verklaarbaar. Het is de identificatie van de ufo waarmee ik een probleem heb. Stel, buitenaardsen bezoeken ons in zo’n ufo. De dichtstbijzijnde ster, Centauri Proxima, staat circa 4 lichtjaren bij ons vandaan. Reis je in een ruimteschip met de snelheid van een space shuttle, dan zijn die bezoekers 17.000 jaar naar ons onderweg. Als ze geen omweg maken. Stel dat ze tien keer zo snel reizen. Dan duurt de reis 1.700 jaar. Je moet er maar zin in hebben als alien om Trump bezig te zien.

Waarom zou iemand die goed kan leren, zulke rare dingen als complotten geloven? Kennelijk lopen er door het brein van sommige intelligente mensen wat kromme volten. Denkkracht en logica zitten kennelijk niet noodzakelijk zij aan zij in één en hetzelfde hoofd.

En dan zijn er nog figuren die uit het lichtgelovigheidsvaatje tappen om hun eigen ambities te realiseren. Sommigen van hen zijn echt dom, zoals de oranje held aan gene zijde van de oceaan, maar anderen zijn gewoon slecht. Zo zijn er in Nederland politici die heulen met de Russen en allerlei valse zekerheden beloven omdat ze weten dat hun kiezers twijfel haten.

Hoe kun je complotdenken bestrijden? Psychologen onderscheiden twee types: de wankelmoedigen en de zelfverzekerden. Hoe dan ook, mensen om hun ideeën belachelijk maken is misschien verleidelijk, maar altijd gedoemd te mislukken. Hakken in het zand zijn steevast het resultaat. Met twijfelaars valt misschien nog te praten, maar de zelfverzekerden zitten zo diep ingegraven in hun eigen gelijk dat toegeven aan twijfel voor hen neerkomt op vernietiging van hun identiteit. In de meest extreme vorm kom je dan uit bij zo’n Anders Breivik.

Er is nog een ander probleem met pogingen complotdenkers de ogen te openen. Wie dat probeert, maakt deel uit van het foute kamp. Die onderneemt in opdracht van de meesters een poging om het volk zand in de ogen te strooien, om de waarheid te verdoezelen.

Deze tekst maakt derhalve deel uit van het complot.

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.

Lawaai

Ik was ze vergeten. Maar de sociale media hebben ze weer in mijn blikveld gebracht. Lawaaischoppers, zoals ik ze leerde kennen op de lagere school. Lagere school? Ja, zo heette die school totdat nieuwlichters met hun eeuwige verbeterdrift besloten dat basisschool de correcte benaming is. Dat wisten onze voorouders niet.

Van mijn zesde tot mijn elfde, vijf jaar lang, heb ik in de herrie gezeten op – allang opgeheven – De Leerschool in Nijmegen. Tussen kinderen waar ontzettend veel geluid uitkwam, wier intellectuele belangstelling uitging naar voetbalplaatjes en auto’s. Die klassikaal maanden deden over het uitlezen van ‘Ot en Sien’, dat ik illegaal in één les stiekem uitlas. Mij lustten die klasgenootjes niet. Ze noemden me ‘de professor’. Vreselijk, school. Pas in de hoogste klas, toen de brulboeien naar 6a gingen, voorportaal van ambachtsschool, huishoudschool of mulo, en bedachtzamere types naar 6b om klaargestoomd te worden voor mms, hbs of gymnasium, werd het schoolleven enigszins dragelijk. Tegen die tijd had ik al afgeleerd om huiswerk te maken.

Het gymnasium had weer zijn eigen nadelen, maar dat herrievolk was ik kwijt. Totdat ik naar de dienstplichtkeuring moest. Daar waren ze weer! Nog een reden om me af te laten keuren voor dienst. En ik snapte dat er na de lagere school momenten en plekken zijn waarop je die plaaggeesten weer tegenkomt: in leger, ziekenhuis en bejaardentehuis.

Na die keuring vergat ik ze weer. Jarenlang. Heerlijk. Maar nu zijn ze terug in alle hevigheid: op het wereldwijde web. Daar vertellen ze hoe gevaarlijk 5G is, dat corona een smerig complot is van snoodaards die over de wereld willen heersen. Dat die snoodaards passagiersvliegtuigen chemicaliën laten verspreiden – chemtrails – om het volk te verdoven. En dat doen in samenwerking met de Bilderberggroep, George Soros, de Rothschilds, de vrijmetselaars en de Illuminati.

Ze proberen ongelovigen als ik te overtuigen van hun gelijk, zitten potdicht voor feiten en logica, en hun slotargument is in de regel: slaap maar lekker verder.

Wat zij zelf met hun waakzaamheid doen, vertellen ze niet.

Zelf put ik dan maar troost uit aforismen van intelligente mensen. Albert Camus: de treurigste ondeugd is onwetendheid die alles meent te weten. Friedrich Schiller: tegen de domheid strijden goden zelfs vergeefs. Isaac Asimov laakt de opvatting dat democratie betekent: mijn onwetendheid is even goed als jouw kennis. George Orwell: onbenul is kracht.

Vragen zijn prima. Ik heb er zelf heel veel. Geen probleem met gebrek aan antwoorden. Een probleem heb ik met antwoorden ontleend aan pseudokennis die tot cultus worden verheven. Zoals religie. Omdat de mens niet weet waar het leven vandaan komt, verzint hij een god. En wie niet meedoet, deugt niet, wordt verstoten of vermoord. Kijk naar onze eigen geschiedenis of naar primitieve moslimlanden. Complotdenkers zijn gelovigen. Derhalve zijn logica en feiten zinloos, zelfs verdacht. ‘Word wakker!’

Je kunt je schouders erover ophalen. Doe je dat, dan krijg je een president als Trump. Ook in onze contreien liggen politieke charlatans op de loer. Hoe houd je die tegen? Zeg het maar. Iets anders dan goed en kritisch onderwijs kan ik niet bedenken.

________________________________

Reageren kan hier of onder aan deze pagina.