Hans

Was Jenny maar in de buurt geweest met haar ogen, om zijn leven te verlengen. Duizend jaar is wat veel gevraagd, maar zeventig jaar is veel te kort. Een jaar of twintig erbij had ik Hans Vermeulen zeker gegund.

De weinige keren dat ik deze bescheiden gigant van de Nederlandse popmuziek heb ontmoet, wist hij op te vallen. Mijn eerste indruk was die van een harde jongen. Sandy Coast – vreemd genoeg legt iedereen de klemtoon op Sandy – speelde in het Brabantse dorpje Zeeland voor een halflege zaal en een DJ kon bij zijn aankondiging niet op de naam van de band komen. Even tussendoor: een DJ was toen alleen nog iemand die plaatjes aan elkaar praatte.
„En dan nu weer de beurt aan… eh… eh…”
Hulpeloos tilde de jongen zijn rechterarm op en plaatste zijn wijsvinger boven op zijn hoofd. Onmiddellijk spiegelde Hans dat gebaar en wees ook hij met zijn vinger op zijn schedeldak. Sardonisch lachje erbij.

Onze band Cobra kreeg van Hans een flinke veeg uit de pan in De Telegraaf. Cobrazanger Winston Gawke had een interview gegeven aan Jip Golsteijn en Barry Zand Scholten. Na het interview stak Winston aan de bar een tirade af. Waarom steunde de Nederlandse pers de eigen muzikanten niet? Waarom die waardering voor een band als Focus? Dat was toch helemaal niks! Die tirade kwam in de krant met een door Winston gesouffleerde kop: ‘Na Beatles kwam Cobra.’ Zoiets noem je: regelrecht het graf in prijzen. Een week later spuwde Hans in De Telegraaf zijn gal over Cobra en prees hij Focus.

Op het Legends Festival in een Apeldoorns park stelde Hans het publiek de leden van de band The Rest voor. „Op bas Len Bouman, net 65 jaar geworden. Voor het eerst van zijn leven een vast inkomen.”

Verder moet ik het doen met verhalen van anderen. En die zijn er. Begin jaren tachtig nam Hans het album ‘Terreno’ op met Pim Koopman als producer. Hans kwam altijd te laat en had nooit iets af. Hij blowde zichzelf die jaren bijkans bewusteloos. Een flard van een liedje had hij af, zonder tekst en zonder refrein.
„Ga maar naar huis”, zei Pim, „en kom maar terug als het af is.”
Intussen moest Pim in de studio de geboekte tijd zien te vullen, dus speelde hij pro forma maar vast een gitaarsolo in.
Toen Hans weer verscheen, had hij een refrein. En twijfel: „Ik weet niet of het wat is.”
Hij speelde het voor. Pims reactie: „Niets meer aan doen. Hebbes.”
Pim liet de gitaarsolo horen.
„Goed”, zei Hans, „die houden we.” Zo was ‘The Eyes of Jenny’ geboren, met een gitaarsolo van Pim Koopman. Het liedje zou Hans’ grootste hit worden.

„Ik hoor het al”, zei Hilde bij een bezoek aan de studio. Haar huwelijk met Hans was druk bezig te stranden en de sfeer was geladen. „Dit wordt dus ook weer niks.”

Met zulke fratsen moet je bij producer Koopman in de studio niet aankomen. Voor hij ging werken met Shocking Blue was hij gewaarschuwd voor Rob van Leeuwen en diens prikkelbaarheid, dus besloot hij bij de kennismaking op zijn eigen, brute wijze de lucht te klaren.
„Wat ben jij klein!”, zei Pim, terwijl hij Robs hand schudde. Zo, dat hadden ze maar vast gehad.

Toen het tijd was om de zang op te nemen, zei de technicus: „Ik weet precies wat er nu gaat gebeuren: Mariska Veres zingt in één keer het hele liedje goed in. Daarna een tweede take en die is nog beter. Dan begint Rob te zeiken en wordt de zang een hele dag lang woord voor woord ingeprikt. Daar wil ik niet bij zijn.”

Mariska zingt. Helemaal goed. Nog een keer. Nog beter.
Rob van Leeuwen: „Godvedegodvâh. Hé Veâh, rieleks toch ’ns un keâh. Je gaat thùis toch auk nie vals laupe zingûh.”

Ingreep van Pim. „Rob, zou jij even koffie kunnen gaan drinken aan de bar?”

Als een kleine jongen liet Rob zich wegsturen. Een half uur later was de zang klaar.

„Hoe heb je dat nou gedaan?”, wilde hij weten. Er waren wat oneffenheidjes bijgewerkt, meer niet.

„Zeg Hilde, zou jij misschien aan de bar een kopje koffie kunnen gaan drinken?” Pim zette haar de regiekamer uit.

Hans nerveus. „Eh Pim, ik heb liever dat je dat niet doet.” Hans hield niet van conflicten.

Tijdens een evenement met veel muzikanten stapte Hans op Lee Towers af.
„Hé Leen, gisteren was er een vent op tv, die deed al jouw liedjes.”
Een dag eerder was er een show van Sinatra uitgezonden.

Bij een andere gelegenheid was voor de muzikanten overnachting geregeld, waarbij ze twee aan twee een hotelkamer moesten delen. De organisatoren hadden het speciaal zo uitgedokterd dat Hans Vermeulen en Patricia Paay bij elkaar in een kamer belandden. Toen Hans de volgende ochtend de ontbijtzaal binnenkwam, kreeg hij een staand applaus.
Hans, vette grijns: „Ik hoefde niets te doen.”

Deze verhalen zijn uit de eerste en tweede hand. Voor zover niet legendarisch, laat ze bijdragen aan de mythe.

Hans’ afkeer van frictie bleek ook na het overlijden van Peter de Wit alias Pee White. Op zijn Facebook-tijdlijn plaatste Hans steevast R.I.P’s voor overleden vakgenoten, dus ook in het geval van Peter. Waarop de goegemeente gewoontegetrouw aan het prijzen sloeg.

Niet ik. ‘Peter de Wit was een dief’, schreef ik over de ex-manager van onze band Cobra. Waarop de goegemeente gewoontegetrouw over mij heen viel: over de doden niets dan goeds. Als dat het geval was, zou je tevergeefs zoeken naar boeken over Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot.

Ik legde Hans uit hoe De Wit in elkaar stak. Toen een bandje de samenwerking met hem opzegde en de gitarist en bassist na veel gedoe hun geluidsinstallaties terugkregen, kwam er een moddergeluid uit de speakers. Wat bleek? De Wit had het speakerdoek met speldeprikken doorboord.
‘Ik meld je dit maar even via Messenger’, schreef ik Hans, ‘om het vuurtje niet verder op te poken.’
Hans: ‘Daar ben ik blij om.’

De laatste R.I.P. heeft Hans niet op zijn tijdlijn kunnen zetten. De schepper van het fantastische ‘I See Your Face Again’ is niet meer. Zonde.

________________________________

Reageren kan hier.

Ontheemd

Mijn vader en de Sovjet-Unie, allebei zijn ze honderd jaar geleden geboren en allebei zijn ze dood. Van de laatste had ik dat niet aan zien komen. Terwijl toch al in 1970 de dissident Amalrik met zijn boek ‘Haalt de Sovjet-Unie 1984?’ kwam. Of neem Orwell, schrijver van ‘Animal Farm’ en ‘1984’, die in 1946 aan het papier toevertrouwde dat ‘het Russische regime ofwel zichzelf zal democratiseren ofwel ten onder zal gaan’.

En inderdaad, Gorbatsjov sloeg in 1985 aan het democratiseren en Jeltsin liet in 1991 de bijl vallen. Het rijk dat Stalin had gekneed over de lijken van tientallen miljoenen, klapte uit elkaar. Peperduur had het experiment uitgepakt. De tsarenfamilie, overige adel, intellectuelen, zakenlieden, geestelijken, zelfstandige boeren en buitenlanders waren vermoord of verdreven door het tuig dat in 1917 de macht greep.

Dat een omwenteling in dit merkwaardige land wreed zou uitpakken, voorspelde de Franse reiziger De Custine in zijn boek ‘Rusland in 1839’: ‘Als er in Rusland ooit een revolutie plaatsvindt, zal het moorden even regelmatig worden als de bewegingen van een regiment soldaten.’

Met de bloem der natie vernietigd duwden de bolsjewieken een inert volk de dwangeconomie door de strot. Hoeveel graan, aardappelen, wc-papier, broeken, jurken en schoenen het volk nodig had, werd bedacht in staatskantoren. De productiewonderen werden geperst in vijfjarenplannen.

Alleen, de wonderen bleven uit. Met tekorten als gevolg. Wat onder de Russen zelf leidde tot de volgende humor.

Klant, starend naar lege winkelschappen: „Geen vlees?”
Verkoopster: „Nee, geen vis. Geen vlees is aan de overkant.”

In 1981 reisde ik met de nachttrein naar Moskou. Een Sovjet-douanier trof in mijn bagage een Nederlandse krant aan. „Van wie is dit het orgaan?”, vroeg hij. Ik had geen idee waar hij het over had. Later zag ik op een gevel in Moskou een leuze van Lenin: ‘De krant is niet alleen een collectieve propagandist en collectieve agitator, maar ook een collectieve organisator.’ Laat wel, maar het kwartje viel: in de Sovjet-Unie brengen de media geen nieuws, maar mennen ze de massa.

Vandaar Amalriks grapje toen hem in 1968 tijdens een proces tegen dissidenten in Moskou door een westerse journalist gevraagd werd wat hij vond van de gang van zaken: „Als Sovjet-burger lees ik mijn mening morgen in de krant.”

‘Wij zijn internationalisten’, nog zo’n leuze. Lekkere internationalisten, dacht ik toen ik nog een groentje was, terwijl de burgers hun land niet uit mogen. Onder Russen ook weer voer voor grappen. „In het tv-programma ‘Reizigersclub’ kan de kijker met eigen ogen zien wie er naar Spanje mag”, sneerde een bevriende Moskoviet.

‘Wij zijn internationalisten’ diende een ander doel. Met de leuze probeerden de machthebbers de relatie tussen de volken in het enorme koloniale rijk bij te sturen. Dat was nodig en het lukte niet. Toen ik in 1985 met een Russische vriend in Vilnius aan een cafétafel aanschoof bij Litouwse jongelui, draaiden ze zich ostentatief van ons af. Russen noemden Kaukasiërs ‘zwartreten’. Een Moskouse organisator van een vuurwerkshow wilde in 1990 een Joodse naam van de medewerkerslijst schrappen. Ruslandkenner Karel van het Reve typeerde het zo: „In de Sovjet-Unie is antisemitisme verboden, want de staat heeft het monopolie.”

‘Communisme is sovjetmacht plus elektrificatie van het hele land’, stond in grote letters op het dak van een energiecentrale langs de oever van de Moskva. Een kreet van Lenin om het land te doen opstomen in de vaart der volkeren. Een Moskouse wiskundige kwam met deze lumineuze oplossing om het land aan stroom te helpen: „Elektrificatie is communisme minus sovjetmacht.”

Jullie in het Westen hebben niet zulke goede humor, zeiden Russische vrienden tegen mij, want jullie hebben het veel te goed. Grappend en grollend sloegen ze zich door het leven, dat in het land van het ‘reëel bestaande socialisme’ inderdaad veel zwaarder was dan elders in Europa en Amerika.

Toch was het einde van de heilstaat voor velen een drama. Alle offers bleken gebracht voor een illusie, een leugen. Een hele generatie raakte ontheemd zonder ooit te verhuizen.

________________________________

Reageren kan hier.

Tims langer Weg nach Deutschland (1)

Teil 1 | Teil 2 | Teil 3 | Nederlands

„Tim muss ins Kinderheim”, sagte meine Frau eines Tages, nachdem sie das Telefon aufgelegt hat. Tim, der achtjährige Sohn ihrer jüngsten Schwester, wurde seiner Mutter vom Jugendamt weggenommen, als sie ihn wieder sternhagelvoll von der Schule abholte. Die älteste Schwester übernahm vorübergehend die Pflege, konnte es aber nicht mehr bewältigen. Ihr 73-jähriger Mann war vor drei Jahren durch Schlaganfall gelähmt, und der Junge war so lebhaft und lästig, wie es sich für ein Kind gehört.

„Zu einem Waisenhaus?”, sagte ich. „Niemals. Wir nehmen das Kind unter unsere Obhut.”

Gesagt, getan! Und wir lebten noch lange und glücklich.

Also nicht. Denn es gibt eine große fette Grenze zwischen uns und dem Neffen: die Grenze zwischen der EU und Russland. Zuerst wird sich eine ganze Herde russischer Beamter in die Angelegenheit einmischen. Stempel und Unterschriften mussten erstellt werden, kurzum, die Flügel kamen auf Touren und wir, ein niederländisch-russisches Paar in Deutschland, durften Don Quichotte spielen. Und dann würde sich das Spiel in unserem Wohnsitzland Deutschland wiederholen.

Bereits im vergangenen Jahr hatte die Mutter wegen der Flasche mal das Sorgerecht verloren. Himmel und Erde hatte sie in Bewegung gesetzt, um ihr Kind zurückzubekommen. „Ich trinke nicht mehr. Bitte, bitte, gib ihn mir zurück.” Eigentlich wider besseres Wissen ließen das Jugendamt und der Richter sich im November überreden. Richter neigen dazu, bestehende Familienbeziehungen aufrechtzuerhalten.

Im März was es wieder so weit. Nach neuen Szenen der Trunkenheit auf dem Schulhof, wo die Mutter ihren Sohn sogar verlor, brachte die Polizei das Kind in ein Kinderheim. Dort holte ihn seine älteste Tante ab.

Im Mai eilte meine Frau, die Mitte der drei Schwestern, nach Moskau, weil Tims Mutter in einer Entzugsklinik außerhalb der Stadt war und ihre 88-jährige Mutter, jetzt allein zu Hause, drohte unterzugehen. Sie braucht Pflege. „Alarm”, sagte meine Frau am Telefon, sobald sie in Moskau war. Sie erzählte von der Bedrohung des Waisenhauses.

Sofort kontaktierte ich das Jugendamt in unserem Wohnsitzland Deutschland. ‘Wie gehe ich hier in Deutschland an die Vormundschaft heran?’, fragte ich per E-Mail. Dort öffnete sich ein Labyrinth gefüllt mit Führern, die ausnahmslos die Wegweiser falsch setzten. Mir stand eine Irrfahrt durch die Höhlen der deutschen Bürokratie bevor, mit einer bunten Sammlung von Schränken und Wänden als Hauptinstrument der sich sozial nennenden Arbeitern mit ihrer in Schwielen verschlammten Seele.

Dabei war Russland selbst kein Rennen. Der Richter könnte sich erneut für eine Fortsetzung der bestehenden Familienbeziehung entscheiden. Diese Chance war klein, aber bestand, da die Mutter wieder zu Hause war und das Getränk in Ruhe ließ, wenn auch dank einer monatlichen Vivitrolinjektion.

„Mami”, sagte Tim eines Tages, „kann ich dich mal unter vier Augen sprechen?”

„Selbstverständlich.” Die glückliche Mutter nahm das Kind mit ins Schlafzimmer der Zweizimmerwohnung.

„Mami, bitte, willst du dich nicht der Vormundschaft meiner Tante widersetzen, denn das würde meine Zukunft torpedieren.”

Der Junge plapperte brav den Text nach, den ihm eingeflüstert wurde von seiner ältesten Tante, die von dunklen Visionen über ihre Schwester gequält wurde, als wäre die Mutter nach Wiedererlangung des Sorgerechts wieder dem Trunk verfallen, während die mittlere Tante zurück zu Hause in Deutschland wäre und sie selbst nochmals Vormünderin werden müsste.

Die Mutter ermannte sich. „Wenn du das so willst, dann tue ich das.” Sie stürmte hinaus und schweifte an diesem Abend die Straßen Moskaus herum. Ohne Vivitrol hätte sie wieder zur Flasche gegriffen.

Der Mutter wurde die elterliche Sorge im August vom Richter entzogen. Das Jugendamt ernannte meine Frau als Vormund. Aber das Kind durfte noch nicht mit nach Deutschland kommen, denn zuerst musste unser Haus geeignet befunden werden. Das Moskauer Jugendamt konnte die Inspektion nicht selbst durchführen, also bat sie ihren deutschen Amtskollegen um Hilfe.

Und das würden wir wissen.

Teil 1  | Teil 2 | Teil 3 | Nederlands

______________________________________________

Sie können Ihren Kommentar hier posten.

 

 

Tims langer Weg nach Deutschland (2)

Teil 1 | Teil 2  | Teil 3 | Nederlands

Tim, mittlerweile 9 Jahre alt, hat seine Mutter an König Alkohol verloren und bekommt seine Tante als Vormund. Kleines Problem: Tim lebt in Moskau und seine Tante lebt in einem deutschen Grenzdorf. Ein russisches Pflegekind darf ohne weiteres nicht mit ins Ausland gehen.

„Zunächst müssen Sie Ihr Haus in Deutschland besichtigen lassen”, sagt die Dame des Moskauer Jugendamts.

Oje, die Kacke ist am Dampfen. Wie bringt man die Deutschen in Bewegung? Meine bisherigen Erfahrungen waren nicht sehr ermutigend.

Am 12. Mai war meine Frau in Moskau eingetroffen. Sofort Alarm: Ihr Neffe Tim musste ins Kinderheim. Wir haben uns als Vormund angeboten. Per E-Mail habe ich beim Jugendamt Kreis Kleve nachgefragt, wie wir diese Sache in Deutschland anfassen könnten.

‘Ich bin außer Haus’, mailte der Roboter von Frau K. ‘Für Notfälle können Sie Frau H. kontaktieren.’

Ein Waisenhaus scheint mir ein Notfall zu sein. Frau H. war anderer Meinung: ‘Warten Sie aber ruhig, bis Frau K. aus dem Urlaub zurück ist.‘

Ende Juni. Frau K. kommt aus dem Urlaub zurück und antwortet per E-Mail: ‘Ich kann Ihnen bei Ihrer Frage nicht behilflich sein. Aber höchstwahrscheinlich kann Ihnen die Ausländerbehörde in Kleve weiterhelfen.’

Nein, Frau K., in Russland wird um eine Besichtigung unseres Hauses gebeten.

Frau K.: ‘Ich habe Ihnen die Daten der Kolleginnen die zuständig sind für Adoption gegeben. Die können Sie diesbezüglich am besten beraten.’

Nein, Frau K., es geht nicht um Adoption, wir sprechen hier über Vormundschaft.

Adoptionsvermittlungsstelle: ‘Wenn überhaupt, wäre die Kollegin vor Ort, Frau K. Ihre Ansprechpartnerin.’

So scheiterten meine erste Bemühungen, nur Informationen vom Jugendamt Kreis Kleve zu erhalten. Und jetzt würden sie plötzlich helfen?

„Bitte, einen Brief an unsere Kollegen in Deutschland”, sagte die Moskauer Jugendbetreuerin. Der Brief enthielt ein einfaches Ersuchen: Gerne die Lebensbedingungen vor Ort inspizieren und Ihren Bericht an den Vormund aushändigen.

„Ich komme Sie Dienstag besuchen”, sagt Frau K., nachdem sie Mitte August den Antrag erhalten hat. Ich muss es jedoch mit meiner Vortsitzende abstimmen.”

Drei Tage später, Telefon: „Meine Vorsitzende ist nicht einverstanden. Wir machen keine Geschäfte mit Ihnen, nur mit Kollegen. Moskau sollte ein direktes Amtshilfeersuchen an uns richten.”

Moment mal! Dieser Brief enthielt eine direkte Anfrage auf dem Moskauer Jugendamtsbriefpapier. Der Antrag wurde an die ‘zuständige Jugendfürsorgebehörde am Wohnort des beabsichtigten Vormunds’ gerichtet. Unterzeichnet von einem Moskauer Jugendamtsleiter.

Nicht gut genug, urteilte Frau K. nach dem Gespräch mit ihrer Vorsitzende. Zum ersten Mal in meinem Leben war mir ein Hemmnis, dass ich keine Brieftaube bin.

„Das Moskauer Jugendamt kann Ihnen das Ersuchen per E-Mail senden”, schlug ich vor.

„Nein, per E-Mail is nicht erlaubt, per Fax ist gestattet”, sagte Frau K.

Auf dem Moskauer Briefpapier gibt es eine Faxnummer. Leider ist jedoch das Fax kaputt, Geld für ein neues Gerät fehlt jetzt und in absehbarer Zeit, und für neues Briefpapier ohne Faxnummer gibt es auch kein Geld.

„Das Fax in Moskau ist kaputt. Ein solcher Antrag ist monatelang mit der russischen Post unterwegs. Ist es nicht möglich, eine andere Ausweg zu finden?”, fragte ich Frau K.

„Nein.”

„Kann ich einen Termin vereinbaren, um es Ihnen zu erklären?”

„Nein.”

Also dann einfach so. Ich übersetze die russische Anfrage ins Deutsche und maile sie nach Moskau. Dort verfasst das russische Jugendamt ein zweisprachiges Schreiben, das nicht an die ‘zuständige Behörde’ gerichtet ist, weil das deutsche Jugendamt sich geweigert hatte, sich damit zu identifizieren, sondern an Jugendamt Kreis Kleve. Meine Frau erhält den Brief und verschickt ihn umgehend per DHL zum Preis von 60 Euro. Dank Track & Trace weiß ich, dass der Brief am 29. August, einen Tag nach dem Versand beim Jugendamt ankommt. Anschließend ist derselbe Brief in dem Gedärm des Jugendamts für eine ganze Woche unterwegs zum Büro von Frau K.

Telefon. „Ich komme am Donnerstag zu Ihnen”, sagt Frau K., munter wie immer. „Ich habe auch eine Reihe von Fragen an Sie und Ihre Frau.”

„Meine Frau ist in Moskau. Ein Vormund kann nicht einfach sein Pflegekind verlassen.”

„Okay, aber ich brauche ein Führungszeugnis von Ihnen und Ihrer Frau.”

Was noch mal? „Kann ich bei der Gemeinde hier ein Führungszeugnis für meine Frau beantragen?”

„Ich weiß es nicht.”

„Das ist nicht möglich”, sagt die Gemeinde. „Das kann man nur für sich selbst tun. Möglicherweise per Post?”

Per Post aus Russland? Damit ist alles klar. Zuerst ist heraus zu finden wie man so etwas aus der Ferne beantragen kann. Was stellt sich heraus? Du ladest ein Formular herunter und lasst deine Unterschrift beim Deutschen Konsulat beglaubigen.

„Kann nicht”, sagt das deutsche Konsulat in Moskau. „Wir legalisieren nur für Deutsche.”

Also hat meine Frau ihre Unterschrift im niederländischen Konsulat in Moskau legalisiert. Aber wie das Formular zum Bundesjustizamt in Bonn zu schicken? Per E-Mail ist nicht erlaubt. Per Post ist erfolglos oder sauteuer. Not kennt kein Gebot. In Moskau scannt meine Frau den Antrag, per E-Mail landet eine Kopie in Deutschland auf dem Computer bei mir zu hause, ich drucke das Stück aus und lege es in einen Umschlag nach Bonn. Zwei Wochen später fällt das Führungszeugnis auf die Fußmatte. Die Welt will getäuscht werden.

Wochen vergehen nach dem Hausbesuch von Frau K. Tja, sie darf außerhalb ihrer Vorsitzende nichts tun, und es fällt ihr schwer, sie zu fassen. Beschäftigt, beschäftigt, beschäftigt. Ob ich weiß, wie groß die Kreis Kleve ist. Gefunden im Internet: 300.000 Einwohner. Die Region Moskau hat 20 Millionen Einwohner, und dort läuft es reibungslos.

Dann endlich grünes Licht: Am Donnerstag, 28. September, wird sie das Stück rausschicken.

„Wie?”

„Mit der Post.”

„Ich habe Ihnen so oft gesagt: Die Post nach Russland komt Monate zu spät. Oder nie. Schauen Sie hier. Da steht: Wenn man Ihnen sagt, dass etwa zehn Tage lang ein Poststück unterwegs ist, dann machen Sie einfach hundert davon. Können Sie es nach Moskau mailen?”

„Nicht erlaubt.”

„Kann ich eine Kopie erhalten?”

„Nicht erlaubt.”

„Können Sie es dann umgehend per DHL senden? Ich bezahle die Kosten.”

„Ich werde es meiner Vorsitzende vorschlagen.”

Das war Donnerstag. Am Dienstag teilt Frau K. mit, dass der Brief über die Deutsche Post verschickt wurde. Und so landet der Brief in der russischen Post.

Wer mit dem Jugendamt redet, kämpft mit Windmühlen. Jetzt sind zwei weitere Wochen vergangen. Wo ist der Brief, von dem das Schicksal des kleinen Tim abhängt? Wer es weiß, bekommt einen Elefanten.

Teil 1 | Teil 2  | Teil 3 | Nederlands

______________________________________________

Sie können Ihren Kommentar hier posten.

 

 

Tims langer Weg nach Deutschland (3)

Teil 1 | Teil 2 | Teil 3  Nederlands

Der neunjährige Tim hat seine Mutter an König Alkohol verloren und darf mit seiner Tante beziehungsweise Vormund noch nicht nach Deutschland fahren. Zuerst muss ein Moskauer Jugendamt grünes Licht für seine Auswanderung geben. Dies erfordert einen Bericht vom Jugendamt Kreis Kleve über die Lebensbedingungen der Pflegeeltern. Das sind meine Frau und ich.

Wo steckt bloß der Bericht? Die russische Post ist äußerst unzuverlässig, aber dem deutschen Jugendamt ist das ganz egal. Mein Flehen, das Stück auf meine Kosten mit DHL zu verschicken, kletterte auf die Felsen.

Erste Hürde: Die Deutsche Post meldet, dass sie Track & Trace in Russland nicht über ihre Website anbieten kann. Zweite Hürde: Die russische Post erkennt den deutschen Track & Trace-Code nicht. Knobeln, knobeln, knobeln. Was zeigt sich? Man muss die letzten drei Ziffern des Barcodes streichen und dann gelingt es. Wirr, wenn man nicht mit diesem Wissen geboren wird.

Der Brief ist in Scharapowo, 41 Kilometer außerhalb von Moskau, festgefahren. Ähnlich wie Tennis-Star Maria Scharapowa liegt die Betonung auf dem zweiten a. Das für ein komisches Intermezzo. Seit sieben Tagen schon befindet sich das Poststück dort, und es gibt keine Bewegung. Meine Frau ruft die russische Post an.

„O, dann ist der Brief bei den Zollbehörden”, sagt eine Dame.
Meine Frau will wissen, wie wir die Dinge beschleunigen können.
„Kontakt mit dem Zoll ist nicht möglich”, sagt die Dame.
Wie lange kann die Zollabfertigung dauern?
„Die Frist für die Zollbehörden ist unbegrenzt.”

Per E-Mail erhalte ich gute Ratschläge von meinen Freunden: „Bitten Sie den Leiter des Jugendamtes in Kleve um Hilfe.” Und: „Anwalt einsetzen.”

Leiter U. des Jugendamtes hat das Herz am rechten Fleck, diesem Interview zufolge. Ich erkläre ihm die Situation per E-Mail und bitte um Hilfe: „Ich verstehe natürlich, dass es Regeln und Protokollen gibt, aber ich wäre sehr dankbar, wenn Sie einen Weg finden könnten, den Bericht innerhalb der rechtlichen Möglichkeiten so schnell wie möglich nach Moskau zu schicken. Ich bin bereit, die Versandkosten zu übernehmen.”

Antwort von Leiter U., letzte Hoffnung für Waisenkinder: Null, nichts, niente. Er schweigt.

Einen Anwalt einsetzen dann? ‘Kommen Sie mal nach Köln”, schreibt ein Anwalt für Familienrecht. ‘Die Erstberatung kostet 230 Euro.’
Und was kostet mich seine Hilfe insgesamt?
‘Erfahrungsgemäß werden Sie auf 1500 bis 2000 Euro kommen.’

Des einen Not, des andern Brot. Ich versuche es in Kleve. Ich frage eine Anwältin, ob es Sinn macht, das Jugendamt über einen Jurist auf zu rütteln, diesen Brief noch einmal zu verschicken, diesmal per DHL. Mein Budget ist begrenzt, warne ich. Sie kann mir für 200 bis 300 Euro helfen, sagt die Rechtsanwältin.

‘Sehr geehrte Frau Leiter’, lautet die Anrede im Brief der Anwältin. Der Brief selbst war in Ordnung. Der Name war mir neu, aber die Anwältin hatte vorher schon einmal etwas mit dem Jugendamt zu tun gehabt und wußte vielleicht besser Bescheid. Dennoch rief ich sicherheitshalber mit der Frage an, wer Frau Leiter war.
„Sie haben sie selbst erwähnt”, sagte die Anwältin.
Da war ich einfach platt. ‘Leiter der Abteilung: Herr U.’, stand in meiner E-Mail.
„Ups!”, sagte die Anwältin.
Berichtigt. Nahm ich an. Aber am nächsten Tag meldete eine Sekretärin, dass sie den Brief noch einmal geschickt hatte. Die falsche Anrede war einfach verschickt.

Fast eine Woche lang blieb es still. Nur auf mein Drängen nam die Anwältin das Telefon um sich zu erkundigen.
„Ich habe mit Herrn U. gesprochen”, sagte die Anwältin, „und er sagte, dass es hier nicht mit der Versendung des Schreibens getan wäre, sondern ein langwieriges Ruslandsadoptionsverfahren mit dem Landesjugendamt NRW Rheinland durchzuführen ist.”
Da war ich wieder platt. Die Anwältin und Herr U. hatte auf meine Kosten umfassend internationale Adoptionen besprochen, obwohl es kein Adoptionsfall war. Es geht um Vormundschaft, und meine Frau wurde bereits als Vormund in Moskau eingesetzt.

Der Rechtsanwalt würde maximal 300 Euro in Rechnung stellen. Aber nein, es gab eine wundersame Vermehrung. In einem Umschlag, der auf die Matte fällt, gibt es ein Rechnung von 1005,25 Euro. Glücklicherweise erweist sich die Anwältin als recht barmherzig: Teilzahlung erlaubt. Deshalb müssen wir jetzt auch mit einer Anwaltskanzlei den Kampf aufnehmen.

Plötzlich bewegt sich der deutsche Brief in Russland. Eines Samstags stellt sich heraus, dass das Stück in einem Postamt gelandet ist, wo ihn das Moskauer Jugendamt abholen kann.

Montag. Meine Frau wartet und wartet und wartet. Sie ruft die Jugendhilfe an. „Keine Ahnung”, sagt ihr Ansprechpartner. „Wir haben keine Nachricht erhalten.”

Meine Frau geht zur Post und erkundigt sich nach einem Einschreibebrief aus Deutschland.
„Ja, er ist hier”, sagt eine Dame, „aber ich weiß nicht, was ich damit anfangen soll.”
Was ist los? Es ist kein Empfänger daran beteiligt. Das Dokument ist an die Russische Föderation gerichtet. Stellen Sie sich folgende Beanschriftung vor: An die Bundesrepublik Deutschland, Kuhstraße 4, Kleve.
Meine Frau bietet an, das Stück in Empfang zu nehmen.
„Und wer Sind Sie dann?”
„Ich bin vom Jugendamt”, lügt meine Frau. Es fühlt sich gut an.
Ein argwöhnischer Blick. „Was ist Ihre Funktion?”
„Assistent.”
„Assistent von wem?”
„Vom Vorstand.”
„Bitte. Und nehmen Sie auch den Rest der Post mit.”
Meine Frau unterschreibt für den Empfang. Sie muss ihren Ausweis nicht vorzeigen.

Der Brief, den wir vom deutschen Jugendamt nicht sehen durften, ist in unserem Besitz. Meine Frau bringt ihn in das Moskauer Jugendamt. Sofort gibt man den Brief zurück, damit wir den deutschen Text ins Russische übersetzen können. Ein offizielles Dokument, das die Betroffenen erreicht? Undenkbar in Deutschland. Ordnung muss sein. Wenn das Jugendamt tot wäre, würde es sich im Grab umdrehen.

(Fortsetzung folgt.)

Teil 1 | Teil 2 | Teil 3  Nederlands

______________________________________________

Sie können Ihren Kommentar hier posten.

 

 

Tims lange weg naar Duitsland (3)

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3  Deutsch

De negenjarige Tim is zijn moeder kwijt aan koning alcohol en mag nog niet met zijn tante annex voogd naar Duitsland. Eerst moet jeugdzorg Moskou groen licht geven voor zijn emigratie. Daarvoor is een rapport van jeugdzorg Kleef nodig over de woonomstandigheden van ons, de pleegouders.

Waar hangt dat rapport uit? De Russische post is hoogst onbetrouwbaar, maar dat kon de Duitse jeugdzorg niks schelen. Mijn smeekbede om het stuk op mijn kosten per DHL te versturen kletterde op de rotsen.

Eerste hindernis: Deutsche Post meldt via zijn website track & trace in Rusland niet te kunnen bieden. Tweede hindernis: de Russische post herkent de Duitse track & trace-code niet. Puzzelen, puzzelen, puzzelen. Wat blijkt? Je moet van de barcode de laatste drie cijfers afslopen en dan lukt het. Lastig als je met die kennis niet geboren bent.

De brief is blijven steken in Sjarapovo, 41 kilometer buiten Moskou. Net als bij tennisster Maria Sjarapova ligt de klemtoon op de tweede a. Dit even als komisch intermezzo. Het poststuk ligt er al zeven dagen en er zit geen beweging in. Mijn eega belt de Russische post.

„O, dan ligt de brief bij de douane”, meldt een dame.
Mijn eega wil weten hoe we de zaak kunnen bespoedigen.
„Contact met de douane is niet mogelijk”, zegt de dame.
Hoe lang kan de douaneafhandeling duren?
„Voor de douane geldt een onbeperkte tijdslimiet.”

Via de mail krijg ik goede raad van vrienden: „Vraag de chef van het Jugendamt in Kleef om hulp.” En: „Schakel een advocaat in.”

Chef U. van het Jugendamt heeft het hart op de juiste plaats, getuige dit interview. Ik leg hem de situatie per mail uit en vraag om hulp: ‘Ik heb er natuurlijk begrip voor dat er regels en procedures zijn, maar ik zou u zeer erkentelijk zijn als u binnen de wettelijke mogelijkheden een manier zou kunnen vinden om het verslag zo snel mogelijk in Moskou te krijgen. Ik ben bereid de verzendkosten op me te nemen.’

Reactie van chef U., laatste hoop voor verweesde kindertjes: geen, niets, niente. Hij zwijgt.

Een advocaat inschakelen dan maar? ‘Komt u maar naar Keulen’, schrijft een advocaat voor familierecht. ‘Het eerste consult kost 230 euro.’
En wat gaat zijn hulp me in totaal kosten?
‘De ervaring leert dat u op 1500 tot 2000 euro uit zult komen.’

De een z’n nood is de ander z’n brood. Ik probeer het in Kleef. Ik vraag aan een advocaat of het zin heeft het Jugendamt via een jurist te porren om die brief nogmaals te sturen, ditmaal per DHL. Mijn budget is beperkt, waarschuw ik. Voor een bedrag van 200 tot 300 euro kan ze me wel helpen, zegt ze.

‘Geachte mevrouw Hoofd’, staat als aanhef in de brief van de advocaat. De brief was verder oké. Nou was de naam Hoofd nieuw voor mij, maar de advocaat had met het Jugendamt eerder al van doen gehad en kende er wellicht beter de weg. Toch belde ik voor de zekerheid even op om te vragen wie mevrouw Hoofd was.
„Die heeft u zelf genoemd”, zei de advocaat.
Ik stond perplex. ‘Hoofd van de afdeling: de heer U.’, stond in mijn mail.
„Oeps”, zei de advocaat.
Rechtgezet. Dacht ik. Maar de volgende dag meldde een secretaresse dat ze de brief nogmaals verstuurd had. De foute aanhef was dus gewoon op de bus gegaan.

Bijna een week bleef het stil. Pas op mijn aandringen nam de advocaat per telefoon poolshoogte.
„Ik heb met meneer U. gesproken”, zei de advocaat, „en die zei dat jullie er met die brief nog lang niet zijn. Adoptie in een derde land duurt heel lang en Rusland doet er heel moeilijk over.”
Weer stond ik perplex. De advocaat en chef U. hadden op mijn kosten uitgebreid over internationale adoptie gesproken, terwijl het geen adoptiezaak is. Het gaat om voogdij en mijn eega is in Moskou al tot voogd benoemd.

Maximaal 300 euro zou de advocaat rekenen. Maar nee, er heeft een wonderbaarlijke vermenigvuldiging plaatsgevonden. In een envelop die op de mat valt, zit een rekening van 1005,25 euro. Gelukkig betoont de advocaat zich schappelijk: afbetalen mag. Dus nu moeten we ook nog slag gaan leveren met een advocatenkantoor.

Opeens komt in Rusland de Duitse brief in beweging. Op een zaterdag blijkt het stuk te zijn beland in een postkantoor waar de Moskouse jeugdzorg hem kan afhalen.

Maandag. Mijn eega wacht en wacht en wacht. Ze belt jeugdzorg. „Wij weten van niks”, zegt haar contactpersoon. „We hebben geen bericht gekregen.”

Mijn eega loopt naar het postkantoor en informeert naar een aangetekende brief uit Duitsland.
„Ja, die ligt hier”, zegt een dame, „maar ik weet niet wat ik ermee moet.”
Wat blijkt? Er staat geen geadresseerde op. Het stuk is gericht aan de Russische Federatie. Stel je de volgende adressering voor: Aan het Koninkrijk der Nederlanden, Bosbesstraat 9, Nijmegen.
Mijn vrouw biedt aan om het stuk in ontvangst te nemen.
„En wie bent u dan wel?”
„Ik ben van Jeugdzorg”, liegt mijn vrouw. Het voelt goed.
De dame kijkt argwanend. „Wat is uw functie?”
„Assistente.”
„Assistente van wie?”
„Van de directie.”
„Alstublieft. En neemt u de overige post ook maar mee.”
Mijn eega zet een handtekening. Haar ID hoeft ze niet te tonen.

De brief die wij van de Duitse jeugdzorg niet mochten zien, is in ons bezit. Mijn vrouw brengt hem naar jeugdzorg Moskou, die het stuk weer teruggeeft, zodat wij de Duitse tekst in het Russisch kunnen vertalen. Een ambtelijk stuk dat terechtkomt bij de personen over wie het gaat? Ondenkbaar in Duitsland. Ordnung muss sein. Als het Jugendamt dood was, zou het zich omdraaien in zijn graf.

(Wordt vervolgd.)

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3  Deutsch

_______________________

Reageren kan hier.

 

 

Tims lange weg naar Duitsland (2)

Deel 1 | Deel 2  | Deel 3 | Deutsch

Tim, inmiddels 9 jaar, is zijn moeder kwijt aan koning alcohol en krijgt zijn tante als voogd. Probleempje: Tim woont in Moskou en zijn tante woont in een Duits grensdorp. Een Russisch pleegkind mag zomaar niet mee naar het buitenland.

„Eerst moet u in Duitsland uw woning laten inspecteren”, zegt de dame van de Moskouse jeugdzorg.

O jee, stront aan de knikker. Hoe krijg je de Duitsers in beweging? Mijn eerdere ervaringen waren weinig bemoedigend geweest.

Op 12 mei was mijn eega in Moskou aangekomen. Meteen alarm: haar neefje Tim moest naar een kindertehuis. Wij wierpen ons op als voogd. Per mail vroeg ik aan het Jugendamt Kreis Kleve hoe we deze kwestie aan Duitse zijde moesten aanvliegen.

‘Ik ben met vakantie’, mailde de robot van mevrouw K. ‘Voor noodgevallen kunt u terecht bij mevrouw H.’

Een weeshuis lijkt me nogal een noodgeval. Mevrouw H. vond van niet: ‘Wacht maar rustig tot mevrouw K. terug is van vakantie.’

Eind juni. Mevrouw K. is terug van vakantie en mailt terug: ‘Ik kan niets voor u betekenen. Hoogstwaarschijnlijk kan de vreemdelingendienst u verder helpen.’

Nee mevrouw K., in Rusland vragen ze om een inspectie van onze woning hier.

Mevrouw K.: ‘Dan moet u bij mijn collega’s van adoptie zijn.’

Nee mevrouw K., het gaat niet om adoptie, we praten hier over voogdij.

Afdeling adoptie: ‘U moet toch echt bij mevrouw K. zijn. Zij doet uw dorp.’

Zo strandden mijn eerste pogingen om bij het Jugendamt Kreis Kleve zelfs maar informatie los te krijgen. En nu moesten ze gaan meewerken?

„Alstublieft”, zei de jeugdzorgdame in Moskou, „een brief voor onze collega’s in Duitsland.” In de brief een simpel verzoek: zou u de woonomstandigheden ter plaatse willen inspecteren en de voogd uw verslag ter hand willen stellen?

„Ik kom dinsdag langs”, zegt mevrouw K. medio augustus, na ontvangst van het verzoek. „Ik moet het nog wel even met mijn chef kortsluiten.”

Drie dagen later, telefoon: „Mijn chef gaat niet akkoord. Met u doen we geen zaken, alleen met collega’s. Moskou dient rechtstreeks een verzoek aan ons te richten.”

Wacht even. Die brief bevatte een rechtstreeks verzoek op het briefpapier van de Moskouse jeugdzorg. Het verzoek was gericht aan ‘de bevoegde jeugdzorginstantie in de woonplaats van de betrokkene’. Ondertekend door een Moskouse jeugdzorgchef.

Niet goed genoeg, oordeelde mevrouw K. na het gesprek met haar chef. „De brief mag niet via u komen.” Voor het eerst van mijn leven ondervond ik hinder van het feit dat ik geen postduif ben.

„Jeugdzorg Moskou kan het verzoek naar u mailen”, opperde ik.

„Nee, per mail mag niet, wel per fax”, zei mevrouw K.

Op het Moskouse briefpapier staat een faxnummer. Maar helaas, de fax is kapot, geld voor een nieuwe is er niet en komt er niet, net zo min als nieuw briefpapier, want het oude is nog lang niet op.

„De fax in Moskou is stuk. Via de Russische post is zo’n verzoek maanden onderweg. Is er geen mouw aan te passen?”, vroeg ik aan mevrouw K.

„Nee.”

„Kan ik bij u op gesprek komen om een en ander nader uit te leggen?”

„Nee.”

Dan maar zo. Ik vertaal het Russische verzoek in het Duits en mail dat naar Moskou. Daar maakt jeugdzorg een tweetalige brief op, niet gericht aan ‘de bevoegde instantie’, want daarin had het Jugendamt geweigerd zichzelf te herkennen, maar aan Jugendamt Kreis Kleve. Mijn eega neemt de brief in ontvangst en stuurt die met spoed op via DHL à raison van 60 euro. Dankzij track & trace weet ik dat de brief op 29 augustus bij het Jugendamt arriveert, één dag na verzending. Vervolgens is diezelfde brief bij het Jugendamt intern een week onderweg naar het bureau van mevrouw K.

Telefoon. „Ik kom donderdag bij u langs”, zegt mevrouw K., monter als altijd. „Ik heb ook een aantal vragen voor u en uw vrouw.”

„Mijn vrouw is in Moskou. Een voogd kan zomaar niet weg bij zijn pleegkind.”

„Oké, maar ik heb wel een Führungszeugnis van u en uw vrouw nodig.”

Wat nu weer? „Kan ik hier bij de gemeente wel zo’n Verklaring Omtrent het Gedrag voor mijn vrouw aanvragen?”

„Dat weet ik niet.”

„Dat kan niet”, zegt de gemeente. „Dat kunnen mensen alleen zelf doen. Eventueel per post.”

Per post uit Rusland? Daar hebben we het al over gehad. Eerst maar eens kijken hoe je zo’n aanvraag op afstand aanpakt. Wat blijkt? Je downloadt een formulier en laat je handtekening bij het Duitse consulaat legaliseren.

„Kan niet”, zegt het Duitse consulaat in Moskou. „Legaliseren doen we alleen voor Duitsers.”

Dus laat mijn eega haar handtekening door het Nederlandse consulaat in Moskou legaliseren. Maar hoe krijg je dat formulier vervolgens bij het Bundesjustizamt in Bonn? Per mail mag niet. Per post lukt niet of is peperduur. Nood breekt wet. In Moskou scant mijn vrouw de aanvraag, per mail belandt een kopie thuis in Duitsland op mijn computer, ik druk het stuk af en stop het in een envelop naar Bonn. Twee weken later valt het Führungszeugnis op de deurmat. De wereld wil bedrogen worden.

Weken verstrijken na het huisbezoek van mevrouw K. Tsja, ze mag niets doen buiten haar chef om en die kan ze moeilijk te pakken krijgen. Druk druk druk. Of ik wel weet hoe groot het district Kleef is. Ik zoek het op: 300.000 inwoners. De regio Moskou telt 20 miljoen inwoners en daar gaat het wel vlot.

Dan eindelijk groen licht: op donderdag 28 september zal ze het stuk uitsturen.

„Langs welke weg?”

„Per post.”

„Ik heb u zo vaak gezegd: post naar Rusland komt pas na maanden aan. Of nooit. Kijk hier maar eens. Daar staat: als ze u zeggen dat een poststuk zo’n tien dagen onderweg is, maak daar dan maar honderd van. Kunt u het naar Moskou mailen?”

„Mag niet.”

„Kan ik een kopie krijgen?”

„Mag niet.”

„Kunt u het dan met spoed per DHL opsturen? Ik betaal de kosten.”

„Ik zal het mijn chef voorstellen.”

Dat was donderdag. Op dinsdag vertelt mevrouw K. dat de brief via de Deutsche Post verstuurd is. En daarginds dus bij de Russische posterijen terecht zal komen.

Praten met het Jugendamt is vechten tegen de bierkaai. Inmiddels zijn er weer twee weken verstreken. Waar is de brief waarvan het lot van de kleine Tim afhangt? Wie het weet, krijgt een olifant.

Deel 1 | Deel 2  | Deel 3 | Deutsch

_______________________

Reageren kan hier.

 

 

 

Tims lange weg naar Duitsland (1)

Deel 1  | Deel 2 | Deel 3 | Deutsch

„Tim moet naar een kindertehuis”, zei mijn eega op een dag, nadat ze de telefoon had neergelegd. Tim, het achtjarige zoontje van haar jongste zus, was door Jeugdzorg bij zijn moeder weggehaald toen ze hem weer eens stomdronken van school kwam halen. De oudste zus nam tijdelijk de zorg op zich, maar kon het niet meer aan. Haar man van 73 was drie jaar eerder verlamd geraakt door een beroerte en de jongen was zo druk en lastig als een kind hoort te zijn.

„Naar een weeshuis?”, zei ik. „Dat nooit. We nemen het kind in huis.”

Zo gezegd, zo gedaan. En we leefden nog lang en gelukkig.

Dus niet. Want tussen ons en het neefje loopt een dikke vette grens: die tussen de EU en Rusland. Eerst gaat zich een hele kudde Russische ambtenaren met de zaak bemoeien. Stempels en handtekeningen moesten er komen, kortom, de wieken kwamen op toeren en wij mochten Don Quichotte gaan spelen. En daarna zou dat spel zich in ons woonland Duitsland herhalen.

Vorig jaar was de moeder vanwege de fles al eens uit de ouderlijke macht gezet. Hemel en aarde had ze daarna bewogen om haar kind terug te krijgen. „Ik ben van de drank af. Alsjeblieft, alsjeblieft, geef hem me terug.” Eigenlijk tegen beter weten in lieten Jeugdzorg en de rechter zich in november overreden. Rechters hebben de neiging om bestaande gezinsrelaties in stand te houden.

In maart was het weer mis. Na nieuwe scènes van dronkenschap op het schoolplein, waarbij de moeder haar zoon zelfs kwijtraakte, bracht de politie het kind naar een kindertehuis. Daar haalde zijn oudste tante hem op.

In mei haastte mijn eega, de middelste van de drie zussen, zich naar Moskou, want de moeder van Tim zat in een afkickkliniek buiten de stad en hun 88-jarige moeder, nu alleen thuis, dreigde kopje onder te gaan. Zij heeft zorg nodig. „Alarm”, zei mijn eega aan de telefoon zodra ze in Moskou was. Ze vertelde van de dreiging van het weeshuis.

Onmiddellijk zocht ik contact met Jeugdzorg in ons woonland Duitsland. „Hoe pak ik de voogdij hier in Duitsland aan?”, vroeg ik per mail. Er opende zich een labyrint gevuld met gidsen die zonder uitzondering wegwijzers verkeerd zetten. Mij wachtte een dwaaltocht door de krochten van de Duitse bureaucratie, met een bonte verzameling kastjes en muren als voornaamste instrument van zich sociaal noemende werkers met een in eelthopen verzande ziel.

Intussen was Rusland zelf geen gelopen race. De rechter kon opnieuw besluiten om de bestaande gezinsrelatie te continueren. Die kans was gering, maar bestond, nu de moeder weer thuis was en de drank liet staan, zij het dankzij een maandelijkse vivitrolinjectie.

„Mama”, zei Tim op een dag, „kan ik je even apart spreken?”

„Natuurlijk.” De verheugde moeder nam het kind mee naar de slaapkamer van het tweekamerflatje.

„Mama, zou je je alsjeblieft niet tegen de voogdij van mijn tante willen verzetten, want daarmee torpedeer je mijn toekomst.”

De jongen papegaaide keurig de tekst die hem was ingefluisterd door zijn oudste tante, die gekweld werd door donkere visioenen over haar zuster die, hersteld in de ouderlijke macht, opnieuw aan de drank zou raken, terwijl de middelste tante inmiddels alweer thuis in Duitsland zou zitten en zij dan zelf opnieuw voogd moest worden. Wat ze niet aankon, dus dan zou het kind alsnog in een weeshuis belanden.

De moeder vermande zich. „Als jij dat zo wilt, dan is dat wat ik doe.” Ze stormde het huis uit en zwierf die avond over de straten van Moskou. Zonder vivitrol had ze de fles gepakt.

De rechter zette de moeder in augustus uit de ouderlijke macht. Jeugdzorg stelde mijn eega aan als voogd. Maar het kind mocht nog niet mee naar Duitsland, want eerst moest onze woning geschikt zijn bevonden. De  Moskouse instantie kon de inspectie niet zelf uitvoeren, dus riep zij de hulp in van haar Duitse evenknie.

En dat zouden we weten.

Deel 1  | Deel 2 | Deel 3 | Deutsch

_______________________

Reageren kan hier.

Maar ik niet…

Wel dus, ik ben sterfelijk.

Het is niet dat ik een lage pet op heb van mijn intellectuele mogelijkheden ónder die pet, maar een beetje onnozel ben ik wel. Ik dacht over oud worden namelijk ‘dat komt later wel’. Dat klopt natuurlijk, per definitie. Tot zóver had ik dat heel goed gezien.

Maar eerlijk gezegd dacht ik diep in mijn hart dat van dit uitstel ook afstel zou komen. Of dan tenminste: afstel van bijbehorend ongemak zoals slijtage en afnemende krachten. En van doodgaan natuurlijk, maar dit terzijde.

Doodgaan kende ik van horen zeggen. Dat gaan anderen, maar ik niet. Je moet je jeugdige conditie gewoon bijhouden en trainen en die neem je dan mee met je opklimmende leeftijd. Die wordt zo alleen getalsmatig indrukwekkend hoog, maar daar hoef je echt verder niks van te merken. Dacht ik.

En dat je als je jong bent ook weet dat je gezond moet leven om gezond oud te worden, nou, ik zal nogmaals eerlijk zijn: gezond leven kan altíjd nog, dacht ik ook daarbij. En zo stopte ik vrij laat met roken en ga ik pas sinds een paar jaar verstandig om met mijn liefste vijand – Koning Alcohol.

Mijn grootste zwaktes blijken bewegen en stressmanagement.

Ik bakte er eigenlijk niks van.

Het lijkt wel wat, hoor, maar nu weet ik dat er achter die faςade van zelfbeheersing, binnenin mij een lichaam reageert door langzaam het aderwerk te laten dichtslibben. Dat maak ik tenminste op uit de kennis van hunnie van de hartwetenschappen, waar ik een paar maanden geleden terecht kwam.

Wat nu? Bewegen. Als je maar veel beweegt, heb je minder piekertijd. En bewegen schijnt verder ook goed te zijn, want dan kan het lichaam de artsen wat werk uit handen nemen: natuurlijke omleidingen maken voor verstopte aderen.

Die laatste kennis geeft mij vleugels bij het trainen, want ‘spinning’ oftewel nergens naar toe fietsen, vond ik tot nu toe oersaai.

Zo langzamerhand, na kunstmatige hulp in de vorm van twee dunne tunnelbuisjes in de cityring van mijn hart-, kan ik het weer zelf: vitaal vooruit komen. Een beetje van het ziekenhuis en een beetje van mezelf. En die stress? Voor mij helpt meditatie, wat niet zo zweverig is als het klinkt.

En ach, weet je: alles in het leven wordt betrekkelijk als je je lichaam ervaren hebt als een auto met vier lekke banden die je in je eentje de berg op moest duwen omdat de brandstof op was.

En die dood komt ook wel een keer. Maar nu nog niet.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

Hal

Samen met Lief L. loop ik door de grote hal van het ziekenhuis naar buiten.
De ruimte lijkt gezelliger dan de vorige keren dat ik hier liep en ik vraag me af of dat door mijn opgeluchte gemoed komt.

Een eerder beeld van de hal – nu bijna twee maanden geleden – staat mij nog helder voor ogen: angstwekkend groot en akelig leeg.
Buiten sneeuwt het overtuigend, alles onherkenbaar wit. Een klein sneeuwschuivertje met grote koplampen lijkt met een hopeloze taak bezig.

Tien over drie is het, 03.10 uur wel te verstaan, het is inmiddels zondag.
De buren hadden gezegd dat we in nood ook ’s nachts mochten bellen, maar dit vind ik geen nood. Er bestaan immers taxi’s.

Alleen niet hier en niet nu.
Een taxi regelen onder bijzondere omstandigheden laat ik normaal gesproken vol vertrouwen over aan mijn kordate L., maar die heb ik nou toevallig zojuist achtergelaten aan een druppelinfuus met vocht en twee soorten antibiotica en twee zuurstofslangetjes in de neus, dus dat gaat even niet.

Vijf uur daarvoor had de buurman ons naar de eerste hulp gereden.
Onderweg had ik me schuldig gevoeld tegenover L., die gewoon thuis wou blijven.
Als je ziek bent, lig je per slot van rekening graag in je eigen bed.
En als je héél ziek bent, lig je héél graag in je eigen bed.
En op je allerziekst heb je daarover niks meer te vertellen, dus had ik de dokterspost weer gebeld.

„Nou gaan we alleen maar naar de eerste hulp omdat ik het met jou niet aandurf.”
Daar dachten ze in het ziekenhuis anders over – „Nee, u bent niet voor niks gekomen” – want ze vonden een heleboel goede redenen om mijn lief daar voor onbepaalde tijd vast te houden, op bovengenoemde wijze geborgd en gezekerd.

Een taxi dus. Met trillende handen zoek ik het papiertje dat ik thuis op het laatste moment in mijn tas had gestopt.
„De wachttijd is op dit moment vijf kwartier, mevrouw, het spijt me.”
Ruimhartig geeft de centralist me het nummer van een concullega. Die heeft een nog langere wachttijd.
Terug naar taxi 1, die ik in lijdzaamheid ga zitten afwachten.
Terwijl ik als tijdverdrijf deze column in mijn hoofd begin te schrijven, zie ik na tien minuten een ander levend wezen door de ruimte op mij af komen, iemand van de beveiliging.
„Uw taxi staat bij de eerste hulp, maar hij komt nu naar u toe.”
Ik denk dat ik droom, maar de wonderen zijn de wereld dus nog niet uit.

„Sorry, ik had me vergist, u had inderdaad gezegd hoofdingang.”
En als ik blijk geef van mijn verbazing over de kortere wachttijd: „Ik heb aangebeld bij de vorige klant, maar die was er niet.”

We laten de lege hal nog leger achter en langzaam rijden we naar mijn bed thuis, achter stappers die de uitdaging ‘sneeuw-alcohol-fiets’ zijn aangegaan.
Thuis geef ik de plantjes water en dat vind ik zelf ook raar.

Vijf dagen lang werd de grote hal na ieder bezoekuur wat minder angstaanjagend.
En vanaf vandaag heeft het ziekenhuis weer een leuke hal.
Want L. is genezen verklaard.
En buiten is het lente.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.